Daarop sprak Nathan tot David: Gij zijt die man.2 Samuël 12: 7 (Vert. NBG.)
De gebeurtenissen, die ons verhaald worden in de hoofdstukken 11 en 12 van het tweede boek Samuël, vonden plaats, toen David stond op de hoogte van zijn macht. Hij was koning over geheel Israël; hij had Jeruzalem tot de hoofdstad van zijn rijk gemaakt; de ark was daarheen overgebracht en David maakte plannen om de Here een tempel te bouwen (2 Sam. 5-7). Verder had hij de omringende volkeren verslagen en aan zich onderworpen (hfdst. 5 en 8-10). Israël is een ogenblik een macht geworden in de wereld.