Stichting dr. O. Noordmans

Over Oepke Noordmans

Oepke Noordmans, ‘de geniaalste reformatorische theoloog van Nederland’ (H. Berkhof), werd in 1871 in een boerengezin in het Friese Oosterend geboren. Hij bracht het grootste deel van zijn jeugd in Scharnegoutum door. Na zijn theologische studie te Leiden en te Utrecht diende hij de hervormde gemeenten Idsegahuizen-Piaam (1903), Suameer (1910) en Laren in Gelderland (1923). Hij heeft tweemaal op de nominatie gestaan om kerkelijk hoogleraar te worden, maar het professoraat ging beide keren aan hem voorbij. Wel verleende de Rijksuniversiteit Groningen hem een eredoctoraat, in 1935. Op 31 december 1943 ging hij officieel met emeritaat. Na de bezettingstijd kreeg het emeritaat ook praktisch zijn beslag. Noordmans overleed in 1956.

Noordmans was een van de oprichters van de Bond van Nederlandse Predikanten. Van 1921 tot 1928 maakte hij deel uit van het hoofdbestuur van deze bond. Van 1931 tot 1938 vervulde hij een leidende rol in de vereniging ‘Kerkopbouw’. In die kring werd aan vernieuwing van de Nederlandse Hervormde Kerk gewerkt. Hij leverde ook een substantiële bijdrage aan de totstandkoming van de hervormde kerkorde van 1951.

Noordmans is in een confessioneel hervormde gezin opgevoed. Aan het begin van zijn predikantschap gaf hij blijk van verwantschap met de zogenaamde ‘ethische theologie’, een beweging binnen de Nederlandse theologie die open was in de richting van de cultuur en die benadrukte dat de waarheid ethisch is (J.H. Gunning jr.). Daarmee wilde men aandacht vragen voor het eigensoortige van de taal van kerk en theologie, namelijk allereerst gericht op het hart. Al spoedig ontwikkelde Noordmans steeds meer distantie tot de ethische richting. Hij kon niet uit de voeten met de nadruk op de persoonlijkheid. Hij kreeg meer oog voor het gezichtspunt van de predestinatie; anders gezegd: niet allerlei menselijke gegevenheden, maar de oordelen Gods waren voor hem beslissend. Zo was bij hem nog voordat de Römerbrief van Karl Barth verscheen een wending naar de dialectische theologie te ontwaren. In de loop der jaren kreeg hij steeds meer moeite met de wijze waarop Barth de antropologische structuren uit de christologie afleidde, hij dacht vanuit de schepping naar het kruis. Hij moest dan ook niets hebben van de incarnatie als vormgevend principe.

In de jaren ’30 verzette Noordmans zich tegen de vernieuwing van de liturgie zoals die in de Liturgische Beweging tot ontwikkeling kwam. Hij vreesde dat de prediking en de bediening van de sacramenten in een cultisch systeem van heiligheid opgesloten zouden worden, als voorzetting van de incarnatie. Naar Noordmans’ mening is de bediening van het Woord als proclamatie van het evangelie de kern van de eredienst en staat de deur van de kerk open naar het leven.

Noordmans was geen systematicus in de gebruikelijke zin van het woord. Bij hem is geen allesomvattende synthese te vinden. Zijn theologie in fragmenten heeft alles te maken met zijn visie op het werk van de Geest. Door die Geest worden gestalten gebroken en zo komt Gods toekomst af en toe aan het licht. Dat gezichtspunt is vooral in zijn latere meditaties te vinden.

– dr. J.D.Th. Wassenaar, 2025