J. De grootst gemene deler1
Enige tijd geleden sprak dr. Kromsigt z'n verlangen uit naar toenadering tussen de centrale groepen in onze kerk. Hij nodigde dr. Aalders uit een zodanige formulering te zoeken, die als grootst gemene deler zou kunnen dienen.2 Dat wil zeggen, een onbekrompen en ondubbelzinnige weergave van de hoofdwaarheden van ons christelijk geloof, waaromheen zich de centrale groepen in onze kerk zouden kunnen verenigen. Bestaande verenigingen zouden daarmee niet veroordeeld zijn, maar zulk een verenigingsbasis zou dan moeten dienen om een eensgezinde en krachtige houding der middelpartijen mogelijk te maken.
Deze gedachte lijkt ons inderdaad uitnemend en voor verwezenlijking niet onvatbaar. Naar rechts en links zou dan door zulk een aaneengesloten middengroep krachtiger houding kunnen worden aangenomen dan thans, door verbrokkeling mogelijk is.
De feiten bewijzen dat. In confessionele kringen is een reactie merkbaar. De reorganisatiebeweging is ebbende. Het doet hier niet ter zake wat daarvan de oorzaak is. Afmatting of ongeduld, of iets anders. De oude, een tijdlang verlaten methode om langs reglementaire weg onder de bestaande organisatie de geesten met formules te dwingen zonder hen ruimte te geven zich te verdedigen komt weer in ere. Een methode, waartegen dr. Hoedemaker vroeger rusteloos gewaarschuwd heeft. En waartegen ook thans nog op de vergadering van de Confessioneele Vereeniging de voorzitter, dr. Schokking, z'n bezwaren had.3 Het moet de voorzitter een eigenaardige sensatie gegeven hebben, toen hij op de beide hoofdpunten, proponentsformule en parochiestelsel, vruchteloos tegen de reactionaire geest van de vergadering trachtte op te roeien. Ons lijkt deze reactionaire geest een slecht voorteken. Ons schijnt het dat in dit alles vrees voor de modernen en een zekere invloed van het partijstandpunt van de Gereformeerde Bond afbreuk hebben gedaan aan bredere tendensen, die ongetwijfeld in confessionele kringen niet gemist worden. We zien niet dat op dit pad van het zoeken van een grootst gemene deler veel zal terecht komen.
Toenadering tussen de middengroepen is echter even noodzakelijk met het oo- op de houding der ethischen. Wat men nu hier en daar ziet gebeuren dat ethischen en modernen aan de kerkelijke stembus naar elkander toegetrokken worden, is een onnatuurlijke toestand. In de geschiedenis der negentiende eeuw staat de naam van Chantepie de la Saussaye Sr. tegenover die van Scholten.4 Hier is weinig geestesverwantschap. ⚑Toch is het denkbaar dat bij een bepaalde kerkelijke politiek en bij terugkeer van de methode der formule de ethischen zich gaan herinneren dat ze een zekere vrijzinnigheid in zich ronddragen en van al te knellende dogmatische banden even weinig gediend zijn als de modernen. Een zekere formele overeenkomst met deze zou dan noodgedwongen hun materiële verwantschap met hun eigen geestelijke familie ter zijde doen zetten.
Deze toestand zou onnatuurlijk zijn. En het is volstrekt niet nodig dat ze intreedt. Sommige verschijnselen echter, bovengenoemd, doen vrezen dat ze dreigt te komen. De oude strijd tussenjuridisch en medisch kerkherstel komt dan weer terug, alsof de geschiedenis niets te zeggen had.
Actueel als op de dag waarop ze geschreven werden, worden dan weer de woorden die De la Saussaye Sr. over Schwartz5 schreef. "Ik denk dat het niet moeilijk is het zo ingewikkelde vraagstuk der kerk door middel van de volgende redenering op te lossen: "De kerk is de gemeenschap der gelovigen: de gelovigen zijn zij, die de leer der kerk belijden; dus, wie de gezeide leer niet belijdt, behoort niet tot de kerk." Ik denk, dat de gedurige herhaling van deze redenering, al is 't niet met woorden, dan toch door de gehele opvatting van de toestand op godsdienstig gebied, in de ogen van het volk een sterke schijn van kracht heeft en van duidelijkheid en consequentie. Ik denk dat daarom, zeer natuurlijk, de orthodoxen, op die wijze geleid, een steeds engere partij zullen worden ... Maar ik geloof, dat men, door die houding aan te nemen, hoe talrijk men dan ook moge zijn, zich in werkelijkheid zal isoleren, veel meer dan zij, die geloven, dat de bedoelde vraagstukken een oplossing vragen in verband met de bestaande behoefte der kerk, hoe weinig talrijk de laatsten dan ook mogen zijn."a
Ons dunkt, dat na de Doleantie wanneer niet alles tevergeefs zal zijn geweest en wanneer we niet weer terug zullen keren tot dezelfde casuspositie de middengroepen moeten beginnen toe te geven dat De la Saussaye hier gelijk had.
De opvatting van het kerkelijk vraagstuk door prof. Gunning, dr. Hoedemaker, om van enkele nu leidende mannen te zwijgen, droeg dit stempel. Zo juridisch eenvoudig zag men de kerkelijke kwestie niet. Met een syllogisme hield men de zaak niet voor afgedaan. Wetenschap, afval, sociale ellende, modernisme nam men in z'n kerkelijke vraagstelling en gedragslijn op. Dat moeten wij blijven doen.
We denken hierbij aan een vraag die we dezer dagen gesteld vonden ten opzichte van Woodrow Wilson, de nieuwe president der Verenigde Staten. Wilsons studeerkamer was onder z'n studie niet gesloten geweest, zo verhaalde de schrijver van het artikel. De geluiden van de straat drongen tot hem door. Thans vroeg de schrijver, of hij de geluiden zou willen en kunnen verstaan die tot hem zouden doordringen als hij de komende jaren met het Amerikaanse volk zou optrekken. Die geluiden zouden aangroeien tot een gebulder. Zou hij ze willen en kunnen verstaan?
Een aangrijpende gedachte. Eén man optrekkende met een geheel volk. Een man die de roeping heeft het rumoer van een optrekkend volk te dulden en te verstaan.
Zo trekt Christus op met zijn kerk als een andere Mozes. Van Hem een Leidsman te maken, zoals Heine Hem ergens tekende, die met enige zoetsappige jongeren tussen de korenvelden zich liep te vervelen, is niet naar het Evangelie. Onder de scharen bevindt zich de Heer. En zijn discipelen mogen helpen de scharen te bedienen. Het rumoer, het lijden en de ketterijen die rondom Hem openbaar worden, hinderen Hem minder dan velen ons willen doen geloven. Ook in kerkelijke vragen geldt het: wat dunkt u van de Christus?
2. Naschrift
Reactie van J. W. Groot Enzerink6
Ik kan niet nalaten een enkel woord te laten volgen op 't schrijven van ds. O. Noordmans van Suameer, omdat ik het als confessioneel predikant natuurlijk niet met hem eens ben.
Ook ik heb meer dan eens mijn verlangen te kennen gegeven om, zoals collega Noordmans dit uitdrukt, de grootst gemene deler te vinden, een zodanige formulering waarmee alle 'orthodoxen' zich konden verenigen. Inderdaad gaat het immers enkel en alleen om de vraag: wat dunkt u van de Christus? Van die gedachte is ook dr. Kromsigt en daarvan is hij ook nooit teruggekomen.
Maar ... wie zal die grootst gemene deler vinden? Wie zal die formulering vaststellen? Dr. Aalders en dr. Kromsigt, ds. Noordmans en dr. De Lind van Wijngaarden?7
Uit collega Noordmans' schrijven blijkt dat hij 't betreurt dat de Confessioneele Vereeniging de weg van dr. Hoedemaker en Gunning heeft verlaten, de weg om niet door de methode der formule, maar door reorganisatie tot een betere toestand in onze kerk te komen. Maar eilieve! is dat wel waar?
Collega Noordmans is natuurlijk niet op de vergadering der Confessioneele Vereeniging geweest die 29 mei te Utrecht gehouden is.3 Doch als hij de agenda eens gelezen had en een goed verslag onder de ogen heeft gehad, dan kan hij weten dat tegelijk met het voorstel tot wijziging der proponentsformule óók wordt gevraagd: herstel van de rechten der classicale vergadering. Dat is dus wel degelijk de herhaalde vraag om reorganisatie, al is dit dan ook gedeeltelijke reorganisatie.
En wat de parochievorming betreft, nergens juist kwam duidelijker uit dat een overweldigende meerderheid daartegen was, omdat deze diep overtuigd was dat men eerst reorganisatie moest hebben en dan parochievorming.
Laat collega Noordmans nu maar spreken over vrees voor de modernen. Ik kan niet helpen dat hij dat gevaar niet ziet. Als de vrijzinnigen zich niet ontzien om door lidmatenteelt een dorp om te zetten, dan zullen zij zeker geen middel nalaten om bij de invoering van het parochiestelsel in de grote steden nu eens deze en straks die parochie van een stad om te zetten, al zou 't maar zijn door de vrijzinnige lidmaten van de ene parochie naar de andere te doen verhuizen, zoals nu de socialisten ook 't een of andere stadsdistrict omzetten door hun vriendjes te laten verhuizen. Neen! de Confessioneele Vereeniging heeft ook nu wel degelijk vastgehouden aan de leuze van Hoedemaker: reformatie door reorganisatie!
De wijziging der proponentsformule kan daar betrekkelijk buitenom gaan. De proponentsformule die zich (volgens ons) moet beroepen op 't Evangelie van Jezus Christus, zoals het is neergelegd in de Formulieren van Enigheid, bedoelt alleen Christusbelijders tot de bediening des Woords toe te laten en alle vrijzinnigen buiten te sluiten die in de kerk van Christus niet thuishoren. Laat ieder in ons land belijden wat hij wil, maar iemand die de Christus der Schriften loochent, hoort niet thuis in onze Hervormde Kerk.
"Goed!", zegt collega Noordmans naar ik vermoed, "dat wil ik ook, maar vraag dan dat zij bijv. de Christus der Schriften zullen verkondigen òf 't Evangelie van Gods genade in Christus Jezus, maar spreek niet van de Formulieren van Enigheid, want die zijn mij te eng."
Maar, collega Noordmans!, de evangelischen die de Godheid van Christus loochenen en de Drieëenheid ontkennen en niet geloven in Jezus' plaatsbekledend lijden - ook zij zeggen dat zij de Christus der Schriften belijden. En de modernen spreken ook van Gods genade in Christus.
Wij moeten dus beginnen met de historische leer der kerk die daar nog ongewijzigd ligt. Begin die te aanvaarden en wij zullen u niet uitstoten, als gij 't in de hoofdzaak met ons eens zijt. En werk dan mede aan reorganisatie. En dan kunnen wij zoeken naar een andere formulering getoetst aan de Heilige Schrift!
Doch ga niet, als de confessionelen zich beroepen op de confessie der kerk, ook uw confessie, ga dan niet zeggen: "Dan zullen wij, ethischen, ons herinneren dat wij een zekere vrijzinnigheid in ons omdragen en dat wij van al te knellende dogmatische banden even weinig gediend zijn als de modernen."
Want gemeenschap tussen vrijzinnigen (modernen en evangelischen) en ethisch-orthodoxen is waarlijk, zoals gij zelf zegt, onnatuurlijk. Als 't een ethisch-orthodox man waarlijk gaat om de vraag: wat dunkt u van de Christus?, - dan zal deze zich eerder aansluiten bij de confessionele dan bij de vrijzinnige, omdat hij immers met de confessionele broeder belijdt: "Niemand komt tot de Vader dan door Christus Jezus, gestorven voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking."
3. Antwoord aan ds. Groot Enzerink8
Nu collega Groot Enzerink achter mijn artikel De grootst gemene deler in het vorig nummer een Naschrift plaatste, ben ik wel genoodzaakt op dat artikel en op dat 'Naschrift' terug te komen.
Allereerst neem ik gaarne akte van zijn verklaring dat hij mij niet uit de kerk zal stoten onder zekere voorwaarden. Daartegenover wil ik gaarne dadelijk de verklaring plaatsen dat ik evenmin met plannen rondloop om ds. Groot Enzerink uit de kerk te stoten. Dit tot wederzijdse geruststelling.
Ook bedoelde ik niet te zeggen dat in confessionele kringen niet meer aan de reorganisatie zou gedacht worden. Dit zou natuurlijk zeer onjuist zijn. De vraag is maar wat op de voorgrond staat. En nu is het misschien toevallig, maar toch opvallend, dat terwijl het voorstel tot wijziging van de proponentsformule van de Gereformeerde Bond op onze kerkelijke tafel gelegd wordt, daarnaast een soortgelijk voorstel van de Confessioneele Vereeniging zal gelegd worden.3 Men denkt daarbij aan een soort concurrentie. Dit is de smalle lijn in de kerkelijke politiek, waartegenover de reorganisatiebeweging een bredere lijn vertegenwoordigde. Daarbij komt het er alles op aan wat voorop staat. De politieagent die de platte sabel gebruikt, wil daarmee in vele gevallen slechts een morele druk uitoefenen. Wanneer de scherpe gebruikt wordt, is het met de morele pressie uit en worden machtsmiddelen gebruikt die tot betreurenswaardige amputaties kunnen leiden. De Gereformeerde Bond wenst dit laatste. Uit de Confessioneele Vereeniging waren we gewoon het tegendeel te horen.
Wenst men de brede methode te volgen dan kan men daar tussendoor als voor tijdverdrijf niet de proponentsformule gaan verscherpen. Dat maakt de indruk die een volk ontvangt wanneer onder de vredesonderhandelingen spelenderwijs gemobiliseerd wordt. Deze beide dingen sluiten elkaar beslist uit.
Die 'brede tendensen' waarvan ik in mijn vorig artikel sprak, schijnen trouwens in zeer beperkte mate bij collega Groot Enzerink te bestaan. Althans van de eigenlijke portee van mijn artikel schijnt hij niets te hebben gevoeld. De ook thans nog zo actuele woorden van De la Saussaye over de weinig brede opvatting van het kerkelijk vraagstuk hinderen hem geen ogenblik om precies dezelfde redenering te houden waarover De la Saussaye klaagde.
En toch is De la Saussaye in rechte lijn de geestelijke vader van onze kerkelijke gedragslijn, terwijl Schwartz, de oprichter van De Heraut, regelrecht naar de Doleantie heenwijst. Wij allen leven thans naar de medische opvattingen van De la Saussaye. De juridische groep ging in Doleantie. Maar dan mag men zich wel iets meer storen aan een beroep op De la Saussaye.
Evenmin schijnt collega Groot Enzerink ons te verstaan als we naar Christus heenwezen als de Leidsman van het volk. In afwijking van het gewone spraakgebruik hadden we aan het slot van ons artikel het 'Wat dunkt u van de Christus?' niet als een leerstellige of geloofsvraag genomen, maar als een praktische vraag. We bedoelden: wat dunkt u van de Christus op het stuk van kerkelijke politiek? Mag van Hem meer of minder geduld en wijsheid verwacht worden dan van de leidsman van een groot volk?
Deze gewetensvraag is onze opponent blijkbaar ontgaan. Maar dan is polemiek ook zeer weinig vruchtbaar. Voelt collega Groot Enzerink dan niets voor de grote priesterlijke lijn door de gehele Schrift? Hebben Jesaja 53 en 1 Kor. 13 dan alleen betekenis voor de enkele mens en niet voor de kerk in haar geheel?
Collega Groot Enzerink vergist zich wanneer hij meent dat wij de drie formulieren eng vinden. Zeker, wanneer een hedendaagse kettermeester met de drie formulieren in de hand anderen op hun rechtgelovigheid zou gaan catechiseren, dan vrezen wij dat de maatstaf niet bijster ruim zou uitvallen. Overigens ben ik een groot vriend van de drie formulieren en zou deze kostelijke stukken niet gaarne voor een of andere vage formule ruilen. Het gaat er mee als met het portret van de voorzaat wanneer de nazaat beproefd wordt op z'n gelijkenis. Een goed mensenkenner heeft oog voor de gelijkenis en weet de echte afstamming erin te ontdekken. Hij zou het schennis vinden om in de trekken van het beeld van de voorzaat veranderingen aan te brengen, maar evenmin eist hij dat de nakomeling in alles dezelfde trekken zal vertonen. Zo ook zou ik het een soort vandalisme noemen om in onze belijdenisschriften veranderingen aan te brengen. Maar ook wij, twintigste eeuw mensen, mogen leven en onze eigen trekken dragen, al zullen we daarbij gaarne de gelijkenis van onze voorvaderen vertonen. Niet iedereen echter vertrouwen we het toe ons op die gelijkenis te examineren. Dat is niet allemans werk. Daartoe is geestelijk onderscheidingsvermogen nodig, een ruim hart en ernstige studie.
Waar we tegen op komen, dat is het volmaakt dode in de manier waarop vaak de geesten gekeurd worden. Zo kunnen we ons ook maar helemaal niet indenken in de zonderlinge eis die men vaak en ook thans door collega Groot Enzerink hoort stellen om te beginnen met de historische leer der kerk te aanvaarden die daar nog ongewijzigd ligt.
Het zonderlinge in zulk een eis aan te tonen willen we echter voor een volgend artikel bewaren.
4. De methode der formule
Reactie van H. Bakker9
Ds. Noordmans vreest voor een bepaalde kerkelijke politiek. Hij stelt zich de mogelijkheid van een terugkeer van wat hij noemt 'de methode der formule'. Een methode die de ethischen zich niet zouden laten welgevallen. Ze konden zich dan gaan herinneren, "dat ze een zekere vrijzinnigheid in zich ronddragen en van al te knellende dogmatische banden even weinig gediend zijn als de modernen."
Toch titelt hij zijn stuk De grootst gemene deler. Hij vindt de gedachte uitnemend, ja voor verwezenlijking niet onvatbaar, "een zodanige formulering" te zoeken, "een onbekrompen en ondubbelzinnige weergave van de hoofdwaarheden van ons christelijk geloof, waaromheen zich de centrale groepen in onze kerk zouden kunnen verenigen."
Is dit nu soms 'de methode der formule' ontzeild? Ja, zelfs degenen die vrij willen zijn, vrij van alle formulier, van alle confessie, van alle dogmatiek, ontzeilen deze klip niet, zodra ze maar aan het woord komen; ze gaan op eigen hand hun woorden, termen, vormen kiezen. Slechts wat verwarder en onduidelijker en gewoonlijk onschriftuurlijker voor de bevatting van hem die met een hart, maar ook met een hoofd in de kerk komt.
Zeker, ik ben het met ds. Noordmans eens dat alle formule zijn gebrek heeft. Het leven en het geloof der kerk is veel rijker, omvattender, intensiever dan ooit in enig belijdenisschrift, ook in de belijdenis van onze kerk tot uiting komen kan. Het ligt voor de hand dat een confessie uit vroeger dagen allereerst datgene opnam wat toen van de christelijke leer in geding was. En aangezien sommige strijdpunten van onze tijd weer heel anders zijn dan vóór drie eeuwen, zou een herziening van onze symbolische geschriften geen weelde zijn.
Ook geef ik grif toe dat steeds weer moet gewaakt dat de confessie niet met de Heilige Schrift op één lijn wordt geplaatst of zelfs daarboven zou gesteld worden. Want dit zou te kort doen aan het gezag, de genoegzaamheid en de volmaaktheid der Heilige Schrift. Dit zou niet langer 'de methode der formule' zijn; dit zou de zonde der formule moeten heten. Binnen de kerk heeft de belijdenis een zeker gezag als akkoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente, maar ... de gemeente mag die belijdenis geloven en handhaven alleen op grond en met beroep op de Heilige Schrift; juist wat thans mankeert, nu het reglement wel handhaving der leer wil, maar het geestelijke recht van beroep op de Heilige Schrift wegneemt uit de kerkelijke vergaderingen.
Doch staat dit voorop, dan acht ik het ook in deze bedeling der kerk, althans wanneer zij de naam van kerk nog verdienen zal, noodzakelijk, dat zij een belijdenis uitspreke; dus de methode der formule. Eerstens om het Woord Gods te verklaren. Dan om de ketterij te weren. Eindelijk om de enigheid des geloofs te onderhouden.
Ds. Noordmans dringt aan op evolutie van het kerkbegrip. Mij dunkt, in één zijner vorige stukken heeft hij geschreven, dat men bij het gereformeerde kerkbegrip voor onze kerkelijke en maatschappelijke verhoudingen niet kan blijven staan. Wij hebben in onze dagen een ander, een zuiver kerkbegrip nodig. Ik wilde dat hij dit eens wat nader omschreef.
Het gereformeerde kerkbegrip is mij duidelijk; het heeft een grote bekoring voor mij, al weet ik, dat de werkelijkheid van onze Hervormde Kerk verre beneden het ideaal van dit kerkbegrip ligt. Het kerkbegrip van ds. Noordmans is mij volkomen onduidelijk tenzij hij bedoelt dat we een kerk moeten hebben voor alle nu bestaande richtingen. Doch dat mag ik uit zijn laatste schrijven niet besluiten waar hij het modernisme toch feitelijk uitschakelt.
Maar zoveel is toch zeker dat de Heilige Schrift aan de kerk de plicht oplegt, ook in onze tijden, om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en haar voor alle mensen te belijden, om zulken die van de leer der waarheid afwijken te mijden en het Woord Gods tegenover alle bestrijders te handhaven. Daarvandaan dat de christelijke kerk bijna van het begin af een belijdeniskerk geweest is en haar eenheid in de gemeenschappelijke regel des geloofs gezocht heeft. Die les der historie moge ons iets leren. Ook voor onze ingewikkelde kerkelijke toestanden.
En schrijft ds. Noordmans nu over de grootste gemene deler, dan vraag ik: waartoe? Hij antwoordt: om positie te nemen tegenover het opwakend modernisme in onze kerk. Uitnemend! Doch ik vraag weder: waartoe? Hij zal antwoorden: om de eer van Christus in onze kerk te bevorderen. Nog eens, uitnemend! Maar nu ten derden male: hoe?
Hier zou ik willen dat tussen orthodox en orthodox in onze kerk meer eenstemmigheid bestond. Ja, hoe? Ik antwoord dat onze kerk weer een belijdende kerk worde. Dat is de eer van Christus op kerkelijk gebied. Dus, het ideaal, waar de Confessioneele Vereeniging reeds jaar en dag voor getuigt. Maar tot dusver helaas! als een roepende in de woestijn en dat niet wijl het modernisme ertegen is, maar de orthodoxie zelf.
Maar geen belijdende kerk kan ze zijn volgens dr. Hoedemaker en dr. Gunning, door ds. Noordmans met instemming genoemd, dan na reorganisatie van haar bestuursinrichting. Dus beginnen, gelijk ds. Groot Enzerink schreef in zijn Naschrift, waar de kerk de draad verloor. Bij 1816. Niet naar een nieuwe formule zoeken terwijl de oude nog immer geldt als belijdenis der kerk (zie art. 11 Algemeen Reglement). Dat is onhistorisch, als het niet meer is! Maar na reorganisatie de belijdenis opnieuw getoetst aan de Heilige Schrift. En zolang ook met die belijdenis gerekend.
5. Juridisch?10
In aansluiting aan het slot van mijn vorig artikel wil ik thans gaarne de vraag onder de ogen zien of we moeten beginnen met de 'historische leer der kerk die daar nog ongewijzigd ligt'. Tegelijk heb ik dan dadelijk aansluiting aan het einde van het schrijven van ds. Bakker. "Beginnen", aldus ds. Bakker, "waar de kerk de draad verloor. Bij 1816." Deze eis noemde ik zonderling. En hij is het.
In 1913 worden we uitgenodigd te beginnen bij 1816. We worden uitgenodigd ons zelf met onze dogmatiek, met de wijze waarop we de vragen stellen, met onze voorlopige oplossingen, met onze tijdvragen een volle eeuw te antedateren. Tot tijd en wijle een grote toekomstige synode onze consciëntie ontbonden heeft, moeten we ons zelf, zo wordt geëist, onontvankelijk verklaren voor alles wat een volle eeuw lang, en welk een eeuw!, op geestelijk gebied op ons wilde inwerken. Beginnen bij 1816!
Maar dat kan niet. En dat mag niet. Het zou kunnen en mogen wanneer het kerkelijke leven een spilletje ware dat geheel buiten de werkelijkheid omging. Het zou kunnen wanneer het kerkelijke leven zo onbeduidend was dat we gerust een volle eeuw konden verliezen of overslaan. Nu echter het kerkelijk leven hartslag en stuwkracht van het ganse leven is, nu elk jaar z'n betekenis heeft en ieder verschijnsel z'n invloed laat gelden, nu mogen we deze els niet anders dan 'zonderling' noemen en er allerminst aan toegeven.
Men zal mij misschien hierbij opmerken, dat dit alles kerkrechtelijk bedoeld is. Dat het werkelijke kerkelijke leven niet terug te zetten is, maar dat wij dit moeten doen 'in rechten', juridisch, kerkrechtelijk. Het is waar dat 'in rechten' zulke dingen mogelijk zijn. Een rechtstoestand kan zich ongewijziod handhaven, ook al veranderen de toestanden. Een wet geldt zolang ze niet gewijzigd wordt. Komt zulk een wet in botsing met gewijzigde omstandigheden, zolang ze niet is afgeschaft, zolang 'ze daar ligt', moet ze worden uitgevoerd. Dit is juist het kenmerk van een juridische band. Daar geldt: 'De wet is hard, maar ze ligt er.'b Bij elke verandering op wetgevend gebied wordt de oude wet tot grondslag genomen.
En nu ontkennen we juist dat Christus zijn kerk in zulk een juridisch pantser heeft gesnoerd. Op het hoogste levensterrein, waar de belijdenis der waarheid maatstaf van alles is, mag men al die spreekwijzen uit de wonderboeken der juristen niet overbrengen, als 'niet afgeschaft', 'ligt er nog', 'teruggaan tot dit of dat statuut', enz. Zelfs de juristen wordt dit soms te machtig en ze geven er de brui aan. Getuige de uitlatingen van sommige rechtsgeleerden over de kwestie der kerkelijke goederen. 'In rechten' mag men echter op het volgen van deze regel staan.
In de kerk zijn we aan zulk een formele procedure niet gebonden. En het ware te wensen dat met al de rompslomp in onze kerkelijke stukken die we van de juristerij en uit de kanselarijstijl hebben overgenomen ook eens voor al en voorgoed uit onze kerkelijke wereld kwamen te verdwijnen al die schijnbaar-klemmende redeneringen die goed passen in de mond van een advocaat, maar die bij een predikant en een theoloog niet thuis behoren.
In de kerk bewegen we ons op een hoger levensterrein. In het zedelijk en geestelijk leven is alles bewegelijker en gaat het minder stram toe dan op juridisch terrein. Men kan daar werkelijk iemand in 1913 niet uitnodigen om te beginnen bij 1816. De vraagstukken en de problemen op godsdienstig gebied zijn te ingrijpend en te ernstig om de zaak te beschouwen als een spel schaak dat men weer opzet waar het omviel, al is het dan ook honderd jaar later.
Ik bedoel daarmee volstrekt niet dat in de kerk geen banden en verplichtingen zouden bestaan. Natuurlijk bestaan ze. Ook staat er het heden niet los achter het verleden en zal de toekomst niet los achter het heden staan. De continuïteit in de kerk is veel sterker dan op enig ander gebied. En de klem, die het verleden op ons heeft, is er sterker dan ergens elders.
Toch is alles hier anders dan 'in rechten'. 'In rechten' ligt alles historisch georiënteerd. De wet geldt. De letter beslist, ook al laat men ook hier de geest niet geheel buiten rekening. In de kerk staat alles profetisch gericht. Ook al is hier de letter niet zonder betekenis. Toch is het de Geest. die in alle waarheid leidt.
Zeer gemakkelijk kan men daarom elkaar hier misverstaan. De la Saussaye noemde het juridische 'in hogere zin'goed. Dwz. wanneer het ontdaan is van het eigenlijk juridische. Wanneer men die uitspraken heeft overgebracht in de taal van het zedelijk en geestelijk leven, dan ben ik het er mee eens. Maar dan verandert het aanzien der dingen geheel en al. Dan komt men er niet zo gemakkelijk mee klaar.
Dit is nu een van de punten waarover we het langzamerhand toch wel eens konden worden. Zoveel moesten we als gemeenschappelijke winst uit de kerkelijke geschiedenissen van de negentiende eeuw toch wel kunnen trekken dat alle zuiverjuridische redeneringen op kerkelijk terreinfoitt zijn en de bal misstaan.
Juridisch in die smalle zin van het woord is Groen van Prinsterer ook nooit geweest. In 1848 schreef niet De la Saussaye, maar Groen: "De vraag over waarheid en dwaling, over leven en dood in de kerk, is niet enkel juridiek, maar vooral vraag van krankheid en herstel. Voorzeker niet alle dingen die geoorloofd zijn, zijn oorbaar (verschil tussen recht en zedelijkheid, N.), en geen zuivering raadzaam welke met ontbinding van het lichaam wellicht zou beginnen. Voorzeker vrije ontwikkeling der krankheid te ener, mits vrije en ruime toediening van het enig redmiddel, dat is Gods Woord, ter andere zijde, is de behoefte van het ogenblik in de vaderlandse kerk. Voorzeker wij moeten niet, door overmacht van formulier of van kerkgeloof, een worsteling ontwijken, waarin, door de kracht der waarheid en der liefde, de schoonste triomf wellicht over de felste tegenstander zal kunnen worden behaald, en die, in elk geval, tot de voorwaarden van een wezenlijk en heilzaam zegevieren behoort."c Zo schreef niet De la Saussaye. maar Groen. Geen machtsmiddelen, maar zedelijke middelen.
Misschien is dit niet de grootst gemene deler voor de beide lijnen te noteren. Maar het is toch een factor die bij beide te vinden is. Zouden we die dan maar niet al vast noteren?
Daarom geen verscherping van de proponentsformule.
6
Reactie van J. W. Groot Enzerink11
't Zij mij veroorloofd (al is collega Noordmans minder op een pro en contra in één nummer gesteld) onmiddellijk mijn antwoord hieronder te plaatsen.
Collega Noordmans houde mij ten goede dat ik hem van geweldige eenzijdigheid moet beschuldigen. Hij tlraaft al maar door op'tjuridische dat bij de confessionelen gevonden zou worden, terwijl hij in 't bijzonder de lof zingt van 't medische dat alleen bij de 'ethischen' zou worden aangetroffen. Hetzelfde wat in zijn tijd prof. Valeton beweerde. De confessioneel, die voor 't recht der belijdenis opkomt, is voor ds. Noordmans de man met de karwats, wie 't alleen om uitdrijven te doen zou zijn. Mag ik zeggen, dat ik de betekenis van Jes. 53 en 1 Kor. 13 niet voor de enkeling alleen, maar ook voor de kerk erken.
Zou ik ds. Noordmans eens mogen verwijzen naar Hoedemakers De kerk en het moderne staatsrecht, waar deze handelt over Kerkherstel, Chirurgie, Hygiëne en Therapie.d Dat is toch zeker wel medisch. Tucht, leertucht, bedoelt saambinding, maar de voorstanders daarvan hebben een afkeer van samenlapping, zoals sommigen dit beproeven langs onbekrompen en ondubbelzinnige weg.
En nu wat 't beroep op de belijdenis van onze kerk betreft. Ds. Noordmans wil niet van 1913 naar 1816 teruggebracht. Hij zal dan nog wel meer zich afkeren, als wij eraan herinneren dat wij eigenlijk tot 1618 (voor Friesland tot 1610) terugmoeten, toen de belijdenis van De Brès tot belijdenis der kerk werd verklaard op de synode van Dordt.
Maar, waarde collega, het staat niet aan ons, aan ieder persoonlijk, om over de belijdenis te oordelen. Als wij geloven aan 't testimonium Spiritus Sancti, als wij belijden dat het werk der Reformatie niet door kracht, noch door -eweld heeft plaatsgehad, maar 't werk was van de Geest des Heren, dan zullen wij ons wachten voor allerlei individualisme, maar de kerk beschouwen als de verzameling der gelovigen, die samenkomende in de vreze Gods geleid is geworden door de Heilige Geest. De belijdenis is repetitie Sacrae Scripturae.
Wij, kinderen der twintigste eeuw, hebben over allerlei dingen een andere gedachte. Wij zouden verschillende dingen anders formuleren. Wij zouden 't een meer naar voren willen brengen dan 't andere. Wij zouden nu misschien kunnen zwijgen over wat in vroegere eeuwen meer werd en moest gepreciseerd, maar prof. Valeton heeft gelijk als hij zegt dat belijdenisschriften aanwijzingen zijn, hoe ver men gekomen is en de basis waarop verder moet worden gebouwd. Laat u dit eens door uw leermeester-geestverwant gezegd zijn.
Daarin toch ligt opgesloten dat wij moesten voortbouwen op 1618. Wij mogen 1618 maar niet opzij zetten. Christus regeert zijn kerk door de Heilige Geest en niet door het 'lk' van de denkende, willende mens. Niet mijn geloof en mijn ervaring is 't juiste, want als dit zo ware, dan dienden wij beter van meningen te spreken, die telkens wisselen, maar niet van beginselen; van waarschijnlijkheid, maar niet van waarheid.
Indien wij niet geloven dat God zijn gemeente stuurt en leidt door zijn Geest, dan gaan wij ons zelf op de voorgrond plaatsen, dan vervallen wij tot allerlei willekeur, dan gaan wij het schepsel eren boven de Schepper, dan gaan wij ook elkaar verketteren menende dat wij zelf 't alleen bij het rechte eind hebben.
Neen! met prof. Valeton zeg ik: 'De basis ligt er in onze belijdenisschriften', en daarop moet nu voortgebouwd.
Onze belijdenisschriften, dat is hetgeen onze kerk heeft kunnen bekendmaken van haar geloof, dat zij worstelend en biddend, strijdend en lijdend zich heeft vermeesterd door Gods genade. Geef haar nu gelegenheid, dat zij zich weer uitspreke, dat zij voortbouwe op 't eenmaal gelegde fundament. Maar niet gij en niet ik. De kerk spreke zich uit. Zij moet een mond ontvangen die nu gesloten is, maar die zij weer openen kan. Haar handen moeten weer vrij komen, opdat zij leiden en besturen kan en niet afstoten, maar tot zich trekken; niet veroordelen, maar zegenen.
Onverbiddelijk sta zij tegenover alle loochenaars van de gekruisigde Heiland. Neen! wat dat betreft: niet saamhouden, maar uit de grond opbouwen - en dit kan niet anders dan op haar belijdenis van weleer, die altijd nog haar belijdenis is.
Die belijdenis behoeft daarom niet te blijven, wat zij is. Zijn de vijf artikelen tegen de remonstranten eigenlijk geen omschrijving en uitwerking van een onderdeel der Nederlandse geloofsbelijdenis? Welnu! waarom zouden wij ook nu niet kunnen omschrijven, nu niet kunnen aanvullen met al hetgeen de eeuwen ons hebben gebracht en geleerd?
Maar alweer! dat doe niet deze of gene theoloog, maar dat doe de kerk als kerk, opdat zij zich zo tone pilaar en vastigheid der waarheid.
Daarom als één man erop aangedrongen dat de proponentsformule gewijzigd worde en zo de wacht betrokken worde bij de deur die toegang geeft tot de bediening des Woords en der Sacramenten!
7. Krijgertje-spelen12
Nu ds. Groot Enzerink alweer een staart aan mijn artikel maakte, willen we nog even zien, wat er is. En dan wil ik op drie aardige dingen even de aandacht vestigen.
1e. Ds. Groot Enzerink spreekt zijn afkeuring uit over 'onbekrompen en ondubbelzinnig'. Die uitdrukking was echter niet van mij, maar van dr. Kromsigt. Ook is ds. Groot Enzerink lid van een predikantenvereniging op de grondslag van het 'onbekrompen en ondubbelzinnig'.
2e. Nog aardiger. Ik schreef: "Het is een factor die bij beide te vinden is." Ik sprak daarmee uit dat 'het medische' zowel in de lijn van Groen als van De la Saussaye gevonden wordt. Vlak daaronder schrijft mijn opponent: "Terwijl hij in 't bijzonder de lof zingt van het medische dat alleen bij de lethischen' zou worden aangetroffen."
3e. En nu het alleraardigste. Men kent het spelletje, waarbij kinderen elkaar de tik geven. Men geeft elkaar de tik terug. Ik had van de 'methode der formule' geschreven: "Een methode, waartegen dr. Hoedemaker vroeger rusteloos gewaarschuwd heeft." Hoedemaker en Gunning noemde ik als mannen van brede, medische opvatting. Ik beriep mij juist van de smalle confessionelen op de brede confessionelen.
Nu komt ds. Groot Enzerink mij naar dr. Hoedemakers De kerk en het moderne staatsrecht verwijzen. "Dat is toch zeker wel medisch", schrijft hij. Ja, collega Groot Enzerink! dat had ik u juist verteld, dat dr. Hoedemaker 'medisch' was. Nu gij 't mij weer gaat vertellen, denk ik aan het aardige kinderspel. Aan krijgertje-spelen. Men geeft elkaar de tik terug.
Zou 't niet beter zijn dat collega Groot Enzerink in plaats van mij van doordraven te beschuldigen zich eens afvraagt, of hij misschien zelf ook doordraaft? Vier grote mannen: De la Saussaye, Groen, Gunning en Hoedemaker plaatste ik op z'n weg. Hij ziet er niet naar om en vliegt erboven over heen.
8. De weg tot reorganisatie13
Nu de classicale vergaderingen achter ons liggen,14 is de scherpste actualiteit van het vraagstuk der proponentsformule afgebroken. Toch zal deze kwestie in de eerstvolgende jaren wel actueel blijven. Het is daarom nodig dat we ons rekenschap geven van de kerkelijke vraagstukken die ermee samenhangen.
En dan blijf ik erbij dat we het over vele dingen eens moeten kunnen worden. Wanneer dit thans niet mogelijk is, dan zie ik ook niet in hoe het zou kunnen wanneer onze kerk een meer organische vertegenwoordiging krijgt. Ik geloof niet dat er tussen de tegenwoordige toestand en die in.een gereorganiseerde kerk een principieel verschil is. Zeker, de tegenwoordige toestand onzer kerk werkt het individualisme in de hand. Men vergadert dikwijls als partij en eigenlijk nooit als kerk. En de partijen die zich daaraan het meest schuldig maken zullen zich het meest hebben te veranderen. Het zou daarom met het oog op een gewenste reorganisatie niet onvruchtbaar zijn dat ieder zich maar al vast op zijn partijgehalte onderzocht. Zichzelf afvroeg, in hoe sterke mate hij partijman is. Dat verschillende groepen zich afvroegen in welke mate zij als partij optreden, als partij vergaderen, als partij denken en gevoelen, en zich dan maar al vast daarvan trachtten te ontdoen. Wanneer dat alles op één dag moet, dan vrezen we dat de natuur sterker zal blijken dan de leer en het vlees zwak al is de geest gewillig.
Bij dat zelfonderzoek zouden eigenaardige dingen aan het licht komen. Het zou misschien blijken dat voor velen de reorganisatie niet anders is dan een 'machine de guerre',e waarmee men eigen inzicht op de troon hoopt te helpen. Onder dat gezichtspunt is ons de beweging voor de verscherping van de proponentsformule bijzonder leerzaam geweest als psychologische toelichting van veler begeerte naar reorganisatie.3 Hun ongeduld heeft hun motieven bloot gelegd.
Wanneer het zoeken van reorganisatie gepaard gaat met een toespitsing van het partijwezen, dan vrees ik dat het op de eerste bredere synode dadelijk om de macht zou gaan. Het zou een historische rover-synode moeten worden.
Aan een tover-synode geloof ik niet. Zeker geloof ik aan de macht van Gods Woord op het hart. Aan de macht van het getuigenis van de een op de ander. Aan de vruchtbare werking van gezamenlijk gebed en onderzoek. ⚑Maar dit alles is ook thans mogelijk. Dat op een beter gekozen en bredere kerkelijke vergadering alles als met handen omgekeerd zou wezen, is niet te verwachten en verwacht ook niemand. Aan de magische, sacramentele werking van Gods Woord op een kerkvergadering, principieel onderscheiden van de kracht der Schrift buiten zulk een vergadering, geloof ik niet.
Wanneer van een inderdaad gewenste betere inrichting van onze kerk zegen zal uitgaan, dan moet die zegen voorbereid worden. Hij moet de voldragen vrucht zijn van wat in het gewone kerkelijke leven rondgaat. Verwachten wij het langs andere weg, dan zijn wij rooms en maken van de toekomstige deputaten ter Synode Nationaal een soort conclave waar men 'ex cathredra' uitspraken doet ver boven het bereik van het gewone leven.
Aan zulk een sacramentele werking van Gods Woord op een kerkvergadering geloof ik niet. Wij zijn protestant en geloven dat God door het geloof langs zedelijke weg ons zijn weldaden deelachtig maakt. Daarom moet ons kerkelijk leven, wil men inderdaad reorganisatie, reeds nu toenadering vertonen en moet het partijwezen afnemen. Wanneer dit geschiedt, dan zou ik inderdaad geloven dat wij op de goede weg zijn.
Op deze weg kunnen we natuurlijk formulering niet missen. En hier ontmoet ik weer ds. Bakker die veronderstelde dat ik met de 'methode der formule' ook iedere formulering zou moeten wraken.
Dit is niet het geval. Met de 'methode der formule' bedoelde ik het pogen om onder de bestaande organisatie langs reglementaire weg een zuivering in de kerk te bewerkstelligen. Deze methode werd door dr. Hoedemaker rusteloos bestreden. Ik ben bang dat ze weer terugkeert. Over de waarde van kerkelijke formulering in 't algemeen liet ik mij niet uit. Wanneer ds. Bakker mij dies tracht te overtuigen dat wij niet buiten formulering kunnen, dan luister ik gaarne naar dat betoog, maar meen toch dat het in dit verband niet nodig was mij eraan te herinneren. Ik had het niet ontkend.
Wel moet ik ertegen opkomen wanneer hij schrijft dat we niet naar een nieuwe formule mogen zoeken terwijl de oude nog geldt. Ds. Bakker zal zich moeten voorstellen dat met de reorganisatie het kerkelijk leven begint. Ik zou vrezen dat wanneer het dan beginnen moet, dat dan het einde gekomen is. Dat het dan wordt een strijd om de macht.
Krijgt de kerk een bredere vertegenwoordiging, waaraan ze ontwend is, dan zal men nu reeds vooraf moeten merken dat men z'n verantwoordelijkheid gevoelt. Alle geringe kwesties, als bijv. de gezangenkwestie, zullen als zodanig moeten besproken en behandeld. Elke onnodige verwijdering zal moeten worden vermeden. Men zal moeten trachten allerlei voorwerk te doen, elkaar te leren verstaan. Men zal moeten beginnen misverstand op te ruimen.
Dr. Kromsigt schrijft in de brochure Onbeteekenend: "Een zekere 'ruimte' van grenzen wordt door allen, of zo goed als allen, gewenst en als rechtmatig erkend in verband met het religieuze karakter der heilswaarheid. Dit hangt samen met wat men kan noemen het gemeenschappelijke moderne bewustzijn, de meer psychologische en historische wijze van zien, die aan onze nieuwere tijd, in onderscheiding bijv. met de zestiende en zeventiende eeuw, eigen is. Daardoor wordt het religieuze en ethische karakter der geloofswaarheid (in tegenstelling met een meer abstract-intellectliele opvatting in de zestiende en vooral in de zeventiende eeuw) erkend in steeds bredere kring ook van hen, die zich het dichtst aan de historische belijdenis der kerk aansluiten."15
Wordt er met deze beschouwing volle ernst gemaakt, dan is er reeds ontzaggelijk veel gewonnen. Om deze erkentenis is het onze tijd te doen. Vele confessionelen begrijpen nog maar niet wat daarmee bedoeld wordt. Zou in die zin niet eens een flinke propaganda in de afdelingen der Confessioneele Vereeniging kunnen gemaakt worden? Daarmede zou een vruchtbaar werk gedaan zijn. Beter dan formules verscherpen!
9. Aan ds. Noordmans
Reactie van H. Bakker16
Nog enkele opmerkingen.
Ie. Wat ik schreef over 'de methode der formule' laat gij liggen. Dat niemand erbuiten kan, dat daarom onderscheiden moet tussen de methode en de zonde der formule, mijn hele betoog laat gij zwemmen. Voorshands veronderstel ik dus dat wij het op dit punt eens zijn en gij uw eerste stuk De grootst gemene deler stilzwijgend hebt gerectificeerd.
2e. In uw laatste stuk legt gij de nadruk op de medische weg tot kerkherstel. Zedelijke middelen; geen andere! Dus hoofdzakelijk prediking, huisbezoek, onderwijs; geen leertucht.
Toch deed gij aan de centrale groepen in onze kerk het voorstel naar een zodanige formulering der hoofdwaarheden te zoeken, een grootst gemene deler, waaromheen zij zich konden scharen tegenover het opkomend modernisme. Is dat middel nu zo overgeestelijk? Waarop komt het feitelijk neer? De moderne macht tegenstaan door een concentratie van orthodoxen. Maar hoe? Natuurlijk door de stemmenmeerderheid. Hen op die wijze van de kansels, uit de besturen trachten te houden. Laat ik het eens scherp uitdrukken, ofschoon geheel beantwoordende aan de werkelijkheid: hen in de hoek stemmen, platstemmen, wegstemmen! Is dat nu zulk een zedelijk middel, die machtstoepassing van de meerderheid plus één in onze kerk? De consequentie raakte toch wel een beetje bij u zoek.
3e. Geen verscherping van de proponentsformule is uw besluit. 'Geest en hoofdzaak' dus gesanctioneerd. Toch een grootst gemene deler voor de centrale groepen in onze kerk.
Ik begrijp hier uw logica niet goed. Zeker, verscherping van formules enz. zonder beroep op Gods Woord in de kerkelijke vergaderingen, dus zonder reorganisatie van onze kerkinrichting te vragen, komt mij onbillijk voor. Maar dit kan ik terzijde laten omdat het door u niet geopperd is. Doch voelt gij niet dat op het standpunt de grootst gemene deler een waagstuk is? De methode der formule niet! Geen verscherping van belijdenis! En toch om de moderne macht te weren er in het kamp der orthodoxie van geprofiteerd. Ligt er dan in de verscherping der proponentsformule niet veel ridderlijker gedachte?
4e. Gij maakt de gebruikelijke tegenstelling: juridisch en medisch; machtsmiddelen en zedelijke middelen. Het laatste, daar gaat het om in de kerk. Dat is een geestelijk standpunt! Eilieve, mag die tegenstelling wel zo absoluut gemaakt worden? Zou het niet beter zijn van tuchtmiddelen te spreken? En zou het ook kunnen wezen dat in het tuchtmiddel zowel een machtselement als een zedelijkheidselement opgesloten ligt.
Dit toch dient voor ons vast te staan omdat het vaststaat in Gods Woord, dat wij niet alleen prediken, maar ook ambtsdragers, kerkregeerders behoren te zijn. En nu hangt van het kerkbederf af wat ons te doen staat. Schuilt het kwaad nog alleen in verachtering in de genade, van prediking van boete en bekering? Of zit het dieper? Werd heel het organisme erdoor aangetast zoals in onze kerk werkelijk het geval is? Dan verplicht ons ambt ons als kerkregeerders tot oefening der tucht en het stellen van goede orde op de zaken der kerk. En met al wat in ons is, hebben wij naar de weg te zoeken om het kwaad te beteugelen. Een weg, die gewezen wordt in de vraag om reorganisatie, dwz. beginnen bij 1816 om na orde op zaken gesteld te hebben voort te gaan, niet in 1817, maar in 1913.
10. Niet inconsequent!17
Ds. Bakker beklaagt zich in z'n laatste schrijven dat ik z'n betoog over de formule liet 'zwemmen'. Hij zal intussen gemerkt hebben dat dit niet het geval was. Thans wil ik echter gaarne wat ds. Bakker schreef meer in samenhang beantwoorden.
Ik behoef hier niet te herhalen wat ik de vorige week schreef dat ik niet bedoelde elke formulering van de waarheid te bestrijden. Dat zou de dwaasheid gekroond zijn. Wat ik wel bedoelde, zei ik in mijn vorig artikel.
Ds. Bakker ziet nu echter in wat ik schreef een zekere tegenspraak. Hij begrijpt niet hoe ik tegen verscherping van de proponentsformule kan zijn en toch aandringen op formulering van de hoofdwaarheden ten behoeve van de centrale groepen in onze kerk.
Wanneer ds. Bakker mijn artikel De weg tot reorganisatie gelezen heeft, zal hij mij misschien reeds beter begrepen hebben. Hij weet dan: 1e. dat ik niet tegen formulering in 't algemeen ben, en 2e. dat ik met de concentratie der middengroepen geen kerkelijke actie in de reglementaire zin van het woord bedoel. Aan stemmen dacht ik in 't geheel niet. Nog minder aan 'in de hoek stemmen, platstemmen of wegstemmen'. Inderdaad, dan zou het lood om oud ijzer zijn, of men het ene dan wel het andere middel gebruikte.
Tot aan de Doleantie liep de kerkelijke actie in dit spoor. Omzetten van de besturen en ook langs die weg de toegangen tot de kerk in z'n macht zien te krijgen. Laat mij het nog eens mogen herhalen: het is de grote verdienste van dr. Hoedemaker geweest dat hij dadelijk na de Doleantie een veel bredere toon liet horen. En het zou ontzaggelijk jammer zijn wanneer de kerkelijke politiek der orthodoxen weer in het oude spoor ging lopen. Dat is het dode spoor.
Ds. Bakker zal zeggen: wat bedoelt gij dan met uw concentratie van de middengroepen? Laat mij beginnen met te herinneren dat ik mij aansloot aan een voorslag van dr. Kromsigt. Een paar van zijn uitdrukkingen nam ik over. Daarin ligt opgesloten dat ds. Bakker niet te zeer die uitdrukkingen mag pousseren. Ik zou misschien zelf mij anders uitgedrukt hebben. Met de gedachte betuigde ik mijn instemming.
Mij zweefde daarbij niet zozeer een uitgewerkt formulier voor de geest als wel een 'Verständigung' op de hoofdpunten. Persoonlijk zou ik al heel blij zijn wanneer dit op twee punten geschiedde:
1e. dient de invloed van het gemeenschappelijke moderne bewustzijn op onze dogmatiek erkend te worden, waarbij ik naar mijn citaat in 't vorig nummer verwijs. Dit loopt over de gehele lijn van onze geloofsleer.
2e. moet onze kerkelijke politiek duidelijk laten blijken dat we ervan doordrongen zijn dat in de kerk alles niet in de eerste plaats historisch georiënteerd ligt, maar profetisch gericht staat.
Die gemakkelijke juridische redeneringen waarbij onderscheiding der geesten het werk wordt van een notarisklerk, moeten 'omnium consensu'f in de ban gedaan worden. En voorgoed ook.
Ik acht dat de tijd langzamerhand gekomen is dat dit niet alleen in particuliere gesprekken bij wijze van concessie zo nu en dan wordt erkend, maar dat het ook meer in 't openbaar opzettelijk wordt uitgesproken. Ook door die groep in onze kerk die zichzelf acht het dichtst bij de historische belijdenis der kerk te staan. Dat zou heel veel misverstand en verwijdering uit de weg ruimen.
De tijdvragen zijn te ernstig dan dat men er zich aan zou kunnen onttrekken door te zeggen: we mogen nog niet. Welk een dode machine wordt dan de kerk.
Met de beste wil van de wereld kan ik niet inzien dat ik met mij zelf in tegenspraak ben wanneer ik erop aandring dat we elkaar zullen leren verstaan en er mij tegelijk tegen verzet dat dit met dwang zal gebeuren. Ik beoogde juist een zekere 'ruimte' (zie het citaat in 't vorig nummer van dr. Kromsigt), terwijl de 'methode der formule' een band om onze leden wil leggen. Ik meende dat het goed zou zijn wanneer de centrale groepen in de kerk meer de gemeenschappelijke belijdenis als een cement zouden gevoelen. Bij de bedoelde methode werkt ze ontbindend.
Van zulk een concentratie zou ik dan ook niet willen profiteren in de wereldse zin van het woord. Ik wees alleen op het abnormale verschijnsel dat er gevaar ontstaat voor onnatuurlijke verbindingen. Deze zouden er door voorkomen worden. Terwijl ze op de weg die men thans opgaat worden geprovoceerd.
De gehele kerk zou van een oprechte en eerlijke concentratie der middengroepen profiteren. In elk zedelijk lichaam ontstaat een 'droite', een 'gauche' en een centrum. Aan het ontbreken van een centrum lijdt onze politiek. Ook ons kerkelijk leven lijdt er aan. Ik schreef dan ook niet alleen over houding tegenover links, maar evengoed tegenover rechts. In het kerkelijk leven geldt vaak de opvatting: hoe meer naar rechts, hoe beter. Daartegenover voel ik tegenover sommige ultra-rechtse verschijnselen meer voor wat er aan hoopvolle tekenen aan mijn linkerzijde op te merken valt.
En nu nog eens 'juridisch' en 'medisch'. Ds. Bakker meent dat ik die tegenstelling te absoluut maakte. Absoluut is die tegenstelling inderdaad niet. Bij Groen, die juridisch heet, liet ik het breed-medische zien. En in elke medische opvatting blijft een juridisch element over.
Zo ooit dan geldt hier echter van toepassing dat de woorden hun betekenis aan het gebruik ontlenen. Deze woorden hebben een geschiedenis. Een halve eeuw lang, voor 1886, verliep onze kerkelijke historie onder deze tegenstelling. De juridische opvatting had in de kerkelijke strijd de leiding. In zulk een actie spitsen de motieven zich toe. Groens bedoelen was oneindig veel breder dan de reglementair-kerkelijke actie, die tenslotte in de Doleantie uitliep.
De strijd tussen 'juridisch' en 'medisch' zal niet weer overgedaan worden. Zulk een strijd herhaalt zich niet. Die is beslecht. Op de tweesprong staat een handwijzer, door de historie opgericht. Naar de juridische kant wijst hij: Doleantie, oplossing der kerk. Wij allen kozen de andere weg. De geschiedenis noemt die de medische weg.
Ongetwijfeld blijven daar de vragen omtrent tucht en belijdenis bestaan. Alleen maar ons 'hervormd-zijn' verplicht ons die vragen dieper onder de ogen te zien. Voor mij is verscherping van de proponentsformule een juridisch machtsmiddel, een mijn onder de Hervormde Kerk. Met echte tucht heeft dat middel m.i. niets te maken.
En nu 'zwemt' het beste visje van ds. Bakker nog. Hij vroeg mij naar mijn kerkbegrip. Dat was inderdaad een moeilijke vraag. In zijn tweede artikel kwam hij daarop niet terug. Hij liet het 'zwemmen'. Over enige weken hoop ik daarop nog terug te komen.
11. Idealisme en werkelijkheid
Reactie van H. Bakker18
Driemaal is scheepsrecht. Daarom neem ik nog eenmaal de pen op om in te gaan op de idealistische beschouwingen van ds. Noordmans. Concentratie der middengroep zou ds. Noordmans wensen. Een oprechte, eerlijke concentratie. Niet om een kerkelijke actie te voeren en besturen om te zetten. Maar 'Verständigung' tussen de richtingen. Ook naar rechts en links zover zij zich tot het centrum niet rekenen. Tot profijt van heel de kerk. Aan stemmen dacht ds. Noordmans niet toen hij doelde op een samentrekking der middengroepen. Dat is mogelijk. Maar ik wel. Consequent doordenkend komt ds. Noordmans daarbij ook uit. Eenvoudig, omdat het stelsel van de volstrekte meerderheid op dit ogenblik het beginsel uitmaakt in onze kerk. De meerderheid beslist krachtens ons reglement of het moderne beginsel dan wel het orthodoxe leidende gedachte in de kerkelijke besluiten en handelingen wezen zal. Daarover idealiseert ds. Noordmans gladweg heen. De meerderheid plus één in onze kerk is haar ellende; die graaft haar graf.
Als kerk heeft zij geen vast uitgangspunt. Daarom terug tot het Woord. In de Heilige Schrift ligt het beginsel voor alle waardering van andersdenkenden. Hoe eer dan hoe liever. Het Woord moet uitspraak doen. Wordt dat weer als maatstaf gebruikt, dan zie ik een opening in de muur. Want één ding mag niet vergeten. Dat moet in deze discussie genoemd en dat moet telkens ter sprake komen in de debatten over kerkherstel. Het verschil dat er bestaat tussen de partijen in onze kerk is niet gradueel, maar beslist, zeer beslist principieel. 'Wie met Mij niet is, die is tegen Mij', zegt Christus (Matth. 12 : 30). Dat woord trekt de scheidslijn. Het moet, zal de kerk weer kerk zijn, ook onder ons insnijden. Smartelijk is het voor onze waardering, voor ons ruim hart, maar wat met Hem niet wezen wil, wat zich tegen Hem blijft verzetten, dat behoudt Hij niet; dat heeft de kerk ook niet te behouden. Daartoe heeft zij van Hem een sleutelmacht ontvangen.
Hier ligt dus meteen het goed recht van de tucht. Een schriftuurlijke instelling. Dat zij verwaarloosd werd, heeft de toestand in onze Hervormde Kerk zoveel wanhopiger gemaakt dan hij anders zou zijn. Dat onze kerk zich in haar prediking wil richten naar het Woord, maar in haar kerkregering haar eigen weg bewandelt, brengt ons in wat dr. Kromsigt het ja-en-neen-moeras genoemd heeft. Een schriftuurlijke kerkregering maakt pas een schriftuurlijke prediking en sacramentsbediening mogelijk. Valt er van het eerste af, dan van het tweede meteen.
Om die reden had ik voor de nieuw voorgestelde proponentsformule van de kant van ds. Noordmans meer waardering verwacht. Met echte tucht moge dit middel niets te maken hebben. Natuurlijk! het is niet meer dan een hulpmiddel. Dan eerst ook reorganisatie. Een volkomen kerkelijke weg tot beslechting van leergeschillen. Geheel zoals dr. Hoedemaker dat wilde. Maar een zwakke poging is het toch om onze kerk weer te laten voelen waai het in het kerkelijk leven om gaat. Een kerk is pas dan kerk, wanneer zij belijdende kerk is.
Nu ligt de belijdenis van onze kerk, dat wil dus ook zeggen de belijdenis van een levende Christus als de algenoegzame Zaligmaker, een belijdenis die het modernisme met voeten treedt, nog in art. 11 van ons Algemeen Reglement vast. Maar de legenden van moderne kant groeien aan. Lees het weekblad van dr. Niemeyer. De leer, waarvan dat artikel gewaagt, moet volstrekt niet gezocht worden in de historische belijdenisschriften van onze kerk. Dus ook die vastigheid op losse schroeven gezet. Ook dit laatste kerkelijke bolwerk in onze reglementen voor de Christusbelijder bestormd en als het kan neergehaald.
Hiertegenover dan in de proponentsformule de herinnering geplaatst, wat het Evangelie van Jezus Christus, dat de Evangeliedienaar belooft te prediken, behelst. Een verweer tegen het moderne beginsel dat weer vooruitdringt. Een motie van ajkeuring tegen het 'geest en hoofdzaak', dat op zichzelf zo verkeerd niet is uitgedrukt, maar ... door jan en alleman gemaakt wordt tot wat jan en alleman ervan hebben wil. Een gewetenskrect, die de belijder laat horen tussen allerlei andere stemmen door. Een handwijzer, die het de kerk weer vertelt, waarheen haar weg moet leiden.
Daarom spreek ik liever niet van verscherping der proponentsformule. Dat klinkt zo scherp; het herinnert onwillekeurig aan scherpe resoluties en dergelijke dingen. Het brengt op de gedachte van ongeoorloofde machtsmiddelen. Het is m.i. louter verduidelijking.
De bedoeling dier proponentsformule is dezelfde, met het 'geest en hoofdzaak' of zonder die uitdrukking, met het 'uitgedrukt in de belijdenisschriften onzer kerk' of zonder dat, zoals ze nu luidt of zoals men haar wil wijzigen. De zaak is alleen maar, dat men zoals zij nu luidt er precies van maakt wat er dwaas en raar opkomen kan in het hoofd van de eerste de beste dominee. Dit erkent de moderne natuurlijk niet. Doch wij, orthodoxen, hebben er voor op te komen. Vandaar de verduidelijking, die thans aan de synode werd aangeboden.3
Maar ik eindig. Ik heb nog lang niet iedere gedachte in de stukken van mijn opponent kunnen bespreken. Trouwens, ze waren rijk aan allerlei gedachten. Om de grondgedachte was het mij te doen. Mijn stuk breidde zo ongemerkt uit. Bewijs, dat er aan de onderhavige kwesties zo ontzaglijk veel vastzit. Heel ons kerkelijk leven. Al de akeligheid, die er zich in openbaart.
De Here ontferme zich over onze kerk en wijze ons de rechte weg naar zijn Woord.19
12. Ons kerkelijk leven20
Het is niet mijn bedoeling het debat over de proponentsformule thans nog eens op te nemen. Alle ding heeft z'n maat. En die maat werd, meen ik, wel bereikt. Bovendien is de vraag op dit ogenblik na de afstemming in de synode minder actueel. Kerkelijke politiek moge voorlopig wat op de achtergrond staan en kerkelijke bezinning meer geoefend worden. Geestelijke dingen, schreef onlangs dr. Schokking, zijn geen gesneden koek.g Ik wenste wel dat in de verschillende grotere en kleinere vergaderzalen voor deze winter, dat een dergelijk woord eens als wandversiering werd aangebracht. Misschien dat men door het altijd weer te lezen eindelijk 't algemeen ging verstaan.
Aan kerkelijke politiek in de engere zin van het woord, als kerkelijke slimmigheid om het te winnen, behoren we in eik geval een broertje dood te hebben. Slimmigheid helpt in een geestelijke strijd niets. Daar kan alleen blanke oprechtheid baten. Men ziet dat telkens weer. Als de handige politicus meent z'n doel bereikt te hebben, dan kruien de buien intussen reeds weer langs een geheel andere zijde.
Jammer is 't dan ook dat in onze kringen de gemeentelijke belangstelling zo dikwijls op de uitwendige zijde van de geestelijke strijd wordt gericht. Die strijd zelf en waar het om gaat, verstaat men misschien enigszins, maar men moest het hoe langer hoe beter leren verstaan. Intussen blijft het 't zelfde spelletje. Attesten-kwesties, stembusoverwinningen of -nederlagen, de formulier-kwesties, enz. Dit behoort tot de lichamelijke oefening, tot weinig nut. 't Is de buitenkant. Intussen meent menigeen een geweldig strijder voor het aangezicht des Heren te zijn wanneer hij daarin maar moedig medeloopt.
Ik wens de noodzakelijkheid van deze dingen niet te bestrijden. Ik wil zelfs aannemen dat wie daarin z'n leven slijt straks een welbesteed leven achter zich zal hebben. Ik wil gaarne m'n bewondering betuigen voor de taaie volharding die eruit blijkt. Ik heb echter niet altijd de moed te geloven dat God er ook zo over denkt. Gods gedachten zijn niet onze gedachten, dat kon wel eens in 't bijzonder hiervan gelden.
De 'Civitas Dei', de godsstaat waarover Augustinus schreef, is naar heel wat ruimer lijnen gedacht dan de kleine kerkelijke burgerstaat waarin onze gedachten vaak rondmalen. Er is gevaar dat het burgerrecht daarin zich niet dekt met het goddelijke recht in de 'Civitas Dei'. Ja zelfs, dat wie er inburgert, verburgert en de hogere ontvankelijkheid voor geestelijke invloeden verliest.
Prof. Gunning hoorde ik eens de synode vergelijken met een diligence waarin naar de spreekwijze, ik meen van Beets, een iegelijk werd afgeplat vanwege het roefachtige van het voertuig. Ik zou hem dat niet durven naspreken. Ik heb er het recht niet toe. Van onze gewone kerkelijke kringen zou ik echter hetzelfde willen vragen: kan het kerkelijk leven die invloed niet hebben?
Een kerkelijke strijd in de dagen van Groen en Da Costa was indrukwekkend. De jurist en de dichter stonden er zeer verschillend onder. De kwesties waren nieuw en aan de orde. Ze werden gesteld onder de aandacht van het gehele land.
Diezelfde vraagstukken moeten om ook thans belangrijk te kunnen zijn en actueel anders en breder opgevat worden. Wie maar al in dezelfde tredmolen blijft lopen: attesten-kwesties, proponentsformule, modern-orthodox, die zal straks merken dat hij met molentjes loopt; of liever, anderen zullen het merken. Een dam op te werpen tegen het modernisme had zin, toen het water voor de dijk stond. Na de doorbraak heeft het geen zin. Niemand zet een afsluitdam midden in 't water. Direct echter zou de kerkelijke belangstelling wakker zijn wanneer er, zoals een moderne laatst schreef, een slagveld was waarop de strijd gestreden kon worden. Dat behoeft daarom niet op z'n Bulgaars te gaan en op afmaken uit te lopen. Maar niet ieder zou toch de leiding verkrijgen. Ik denk aan een toestand zoals die op 't ogenblik bestaat in 't Nederlands Zendelinggenootschap.21
Uitgemaakt, opgelost wordt hier op deze wereld het kerkelijk vraagstuk nooit. Toch zou er een opgewekt kerkelijk leven kunnen zijn als het losgemaakt werd uit het duffe schema waarin het thans verloopt. Ook de kerkelijke strijd zou geheel anders gevoerd worden. Het zou om de vragen zelf en om de arbeid zelf kunnen gaan. Het kerkelijk leven, zoals het thans geleid wordt, doodt de belangstelling in de geestelijke vragen van onze tijd. Niemand interesseert zich langer dan vijf minuten voor een uitgemaakte zaak.
Wanneer op de wijze van onze diaconale conferenties22 ook ons credo weer tot arbeidsprogram kon worden waaraan ook doktoren en allerlei standen meewerkten zoals thans op buitenkerkelijk gebied plaats heeft, dan zou ons kerkelijk leven binnen korte tijd in vuur en vlam staan.
Met molentjes liet men dan lopen, wie wilde.