Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 199–204

Weergave
Passages naar Readwise sturen

'Augustinus'1

door P. J. Koets

Wellicht de zwaarste taak, die een man van wetenschap zichzelf opleggen kan, is het schrijven van een goed populair-wetenschappelijk boek over een onderdeel van zijn eigen vak. 'Populair' dient een dergelijk werk te wezen, dwz. zo geschreven en op een dusdanige wijze opgebouwd, dat niet alleen de mannen van 't vak het ter hand nemen, maar dat ook een ruimere kring van belangstellenden er naar grijpen kan, maar tevens ook 'wetenschappelijk', dus op de hoogte van zijn tijd, wetenschappelijk 'bij' en verantwoord. Nu is het niet zo moeilijk om aan één van beide eisen te voldoen; wie over een welversneden pen de beschikking heeft en over enige journalistieke aanleg kan vaak smakelijk en boeiend over enigerlei onderwerp schrijven; met behulp van wat tweedehandse geleerdheid en voor een goed vakman bestaat omgekeerd de mogelijkheid om over zijn eigen vak een gedegen werk te schrijven, dat aan de hoogste wetenschappelijke eisen voldoet, maar voor ieder, die niet deskundig is, een gesloten boek blijft en blijven moet. Helaas is nu de combinatie van gaven, die 't mogelijk maakt om wél boeiend en eenvoudig te schrijven, maar tegelijk ook te putten uit eigen inzicht, te werken met zelfverworven gegevens, uitermate zeldzaam en bijgevolg zijn ook de werkelijk goede populair-wetenschappelijke werken schaars. Dit nu is vooral te betreuren op het gebied der historie, aangezien daarbij 't onderwerp, de stof, rekenen mag op een belangstelling, die veel algemener is dan bij menige andere tak van wetenschap, zoals de populariteit van schrijvers als Emil Ludwig2⌫ bewijst. Gelukkig zijn er wel onder de historici van de laatste eeuw geweest, die de bovenbedoelde eigenschappen in de hoogste mate bezaten. Zó is bijv. Mommsens Römische Geschichte een werk dat ook nu nog, 80jaar na zijn verschijnen, ieder lezer boeit en meesleept, prikkelt en ontroert èn daarbij de man van 't vak bewondering afdwingt door de meesterlijke wijze, waarop de problemen worden gesteld, de breedheid van blik, die de gehele Romeinse wereld overziet, de ongeëvenaarde beheersing van het materiaal.

Als Nederlanders mogen wij in dit verband ook zeker met eerbiedige bewondering de naam noemen van onze grote historicus Robert Fruin.

Iedere poging om op bevattelijke wijze een wetenschappelijke behandeling te geven van een historisch vraagstuk verdient de waardering niet enkel van de vakman, maar van ieder, die belangstelt in onze Nederlandse cultuur, aangezien een werk als bijv. Fruins Tien jaren een verrijking betekent voor de vakliteratuur en de letterkunde beide. Alleen ... aan de bovengenoemde eisen zal moeten worden voldaan en daaraan behoort iedere poging te worden getoetst.

Het onderwerp van ds. Noordmans' boekje mag in de lezerskring van dit blad zeker op belangstelling rekenen: de figuur van de bisschop van Hippo, kerkvader in de ware zin des woords, prediker, catecheet, wijsgeer, schrijver, organisator, beheerst zijn tijd en omgeving, maar heeft ook voor de twintigste eeuw van zijn betekenis nauwelijks iets ingeboet.

Is dus de schrijver in zijn keuze van onderwerp al zeer gelukkig geweest, tot mijn leedwezen meen ik te moeten vaststellen dat dit bij de uitwerking in veel mindere mate het geval is.

Het is hier de plaats niet om een uitvoerige bespreking te wijden aan de wetenschappelijke verdiensten of tekortkomingen van dit boekje en in menig opzicht voel ik mij daartoe ook geheel onbevoegd, maar enkele opmerkingen moeten mij toch van 't hart. Het is m.i. door dit hele boekje heen merkbaar dat een theoloog-filosoof aan 't woord is, geen historicus en geen kenner van de antieke cultuur.

Dit is daarom een zwaarwegend bezwaar, omdat de schrijver juist ook van Augustinus' tijd en omgeving een uitvoerige schets geven wil. Men ontkomt dan niet aan de indruk dat hier gewerkt wordt met gegevens die ontleend zijn aan andere schrijvers over deze tijd, niet verworven door eigen studie van het historisch materiaal, dat ons voor deze tijd ter beschikking staat. Telkens en telkens zet men vraagtekens, telkens weer stuit men op opmerkingen en interpretaties, die willekeurig zijn, soms volkomen onjuist, niet enkel waar het details betreft (bijv. waar Sallustius tot een landgenoot van Augustinus wordt gemaakt), maar ook op belangrijke punten (p. 55 de opmerking over de aard van het Latijn; p. 64 over de ballingschap, waarbij een veel oudere opvatting als iets nieuws, specifiek-christelijk wordt beschouwd; p. 73 waar m.i. een volmaakt-onjuiste beschouwing over het Humanisme staat, enz.). Soms wrijft men zich bepaald zijn ogen uit bijv. waar Heliogabalus gezien wordt als een laatste figuur in het pantheon van Oud-Latium (p. 66).

Dit lijken mij alles uitvloeisels van het feit dat hier een niet-historicus aan het woord is en wie zich dan ook bezighoudt met de studie der Oudheid zal vaak een gevoel van wrevel niet kunnen onderdrukken bij het lezen van veel dat getuigt van onvoldoende beheersing van de stof.

Een ernstiger grief nog heb ik tegen de vorm van dit boek dat naar mijn mening allerminst populair is. Er zijn hoofdstukken, met name het laatste, waar het onderwerp naar zijn aard dit belet; over platonisme en neoplatonisme is het nu eenmaal onmogelijk voor ieder bevattelijk te schrijven en zeker wanneer het in zo'n beknopt bestek geschiedt als hier. Maar ook afgezien van dit hoofdstuk is de stijl veelal zwaar en vermoeiend; al zijn er ook vele pittig geschreven bladzijden, over het algemeen wordt de lezer niet geboeid. Keer op keer stuit men op zinnen die men telkens herlezen moet zonder dan nog de overtuiging te hebben de bedoeling van de schrijver te begrijpen. Neen, een populair boek hebben we hier niet. Hinderlijk zijn de talrijke germanismen: Varusslag, grootmacht, briefdrager. een verhouding die soms in woorden luid wordt, enz. enz.

Ik houd dit boekje in zijn tegenwoordige vorm dus voor mislukt, al zal niemand, die meer van ds. Noordmans las, verbaasd zijn dat er incidenteel heel veel is dat men met instemming leest, als bijv. de mooie opmerking over de inhoud van woorden als glorie en victoire (p. 93).

Toch wil ik niet eindigen zonder de aandacht te vestigen op een grote verdienste. Onder Augustinus' zeer talrijke geschriften zijn er maar twee, die nog steeds gelezen worden: zijn Confessiones en zijn hoofdwerk De staat Gods, dit laatste slechts door zeer enkelen. Men kan veilig zeggen dat bijna alle mensen van onze tijd, voor wie de naam Augustinus nog enige betekenis heeft, daarbij onmiddellijk denken aan zijn Belijdenissen.

Het hartstochtelijk-bewogen verhaal van zijn levensgang heeft niet alleen zijn eigen tijdgenoten, maar ook latere generaties ten sterkste geboeid en belangstelling gevonden zowel bij hen, die zich aan Augustinus geestverwant voelden, als bij degenen, die verre stonden van het christendom. Maar, hoe begrijpelijk ook, deze belangstelling loopt gevaar zich geheel te concentreren op het proces der bekering en dan te verflauwen; het is dan, zoals ds. Noordmans het juist en geestig uitdrukt, te doen 'minder om de christen dan wel om de mens' (p. 50).

En nu is het een verdienste van het hier besproken boekje dat Augustinus niet uitsluitend als mens, maar ook, ja in de allereerste plaats als christen wordt beschouwd, dat de Belijdenissen niet alle aandacht voor zich opeisen, maar het grote werk De staat Gods in het middelpunt staat. Daardoor blijkt dan duidelijk hoe actueel deze geweldige denker is, hoe door hem problemen aan de orde gesteld werden die ook onze tijd beheersen, het vraagstuk bijv. betreffende de verhouding van Kerk en Staat, in onze dagen van een tragische actualiteit. Men leze de bladzijde, die ds. Noordmans in vertaling weergeeft, waar de staat vergeleken wordt met een roversbende (p. 87), en ondanks de zeer vele bezwaren die ik, zo naar vorm als inhoud, tegen dit boek heb, meen ik dat het wijzen op de betekenis van Augustinus als christelijk denker ook voor ons iets is waarvoor wij de schrijver dankbaar moeten wezen.

Augustinus3

In het nummer van 16 augustus 1934 van dit blad kwam een bespreking voor van mijn Augustinus van de hand van dr. P. J. Koets. Nu is het in 't algemeen geen gebruik, en ook het mijne niet, om op recensies in te gaan. Ze behoren tot de fata van het boek, die de schrijver heeft te eerbiedigen. Er bestaan echter uitzonderingen en van die omstandigheid meen ik - om redenen, die ik zo meteen wil opgeven - gebruik te moeten maken. Dat ik dat nu pas doe, ligt aan een samenloop van omstandigheden, die hier niet vermeld behoeven te worden.

En nu de reden, waarom ik er niet toe komen kan om geheel af te zien van enige repliek. Ik ben overtuigd dat Augustinus' hoofdwerk De staat Gods een zending had te vervullen aan de christelijke wereld. Dat deze betekenis van het boek zo groot is dat daarmee, naast de bijbel, nauwelijks iets anders vergeleken kan worden. En eindelijk dat die zending nog niet is afgelopen. Dat integendeel de christenheid weer opnieuw het oor te luisteren heeft te leggen naar wat de grote kerkvader te zeggen heeft over de verhouding tussen de beide rijken, het hemelse en het aardse.

De verhouding van kerk en staat, de symbolen van de beide grootmachten, die de geschiedenis bewegen, is zozeer aan de orde dat het hoog tijd is zich te herinneren dat er in de christelijke letterkunde een boek bestaat van de hand van de grootste theoloog der christelijke kerk, waarin de hele bijbelse geschiedenis en de hele verdere historie onder dit gezichtspunt worden bezien.

Ik meen verder dat dit alles voor Nederlands-Indië wel zeer bijzonder het geval is. Immers - nu afgezien van de hedendaagse acute spanning tussen kerk en staat - bevindt de kerk zich hier in een stadium dat nog zoveel dichter ligt bij dat waaruit Augustinus zijn boek gaf. Het gaat er in menig opzicht nog aan vooraf. De macht van het heidendom is er concreter. Magischer dan in Europa en wat in het boek van de kerkvader de Europeaan antiek aandoet, zou het de Indiër niet altijd behoeven te doen.

Zo had ik mijn boekje over Augustinus een zending toegedacht, in zeer bescheiden mate dienstbaar aan de grote opdracht, die de bisschop van Hippo had meegegeven aan zijn reuzenwerk, dat de politieke en geestelijke geschiedenis van Europa zo sterk heeft beïnvloed.

Wanneer men dat wil doen, moet men de kerkvader Augustinus naar voren brengen. De schrijver, die bijna aan het eind staat van de geschiedenis van het Romeinse keizerrijk, waarin het christendom na een strijd van vier eeuwen zijn beslag had gekregen. Hij maakt de rekening op van heidendom en christendom, van mensenwerk en Gods werk. Praktisch manifesteert zich dat in zijn boek vaak in een vergelijking van Rome en de Kerk.

Deze zakelijke belangstelling in het werk van de kerkvader kwam in de negentiende eeuw heel sterk in de schaduw te staan van een romantische nieuwsgierigheid naar de bijzonderheden van zijn leven en van zijn bekering en soms nog meer naar die van de tijd vóór zijn bekering. De Belijdenissen (Confessiones) trokken een - wat ik zou willen noemen '- ziekelijke aandacht. Dat stond in verband met de Romantiek. Deze tijd is voorbij en wij kunnen ons de weelde niet meer veroorloven de argumenten, die in het tuighuis van Augustinus' hoofdwerk opgestapeld liggen, 'voor oud roest' te laten liggen om ons druk met zijn persoonlijke zaken en zonden bezig te houden.

Door deze overwegingen heb ik de opzet van mijn boekje laten bepalen. De fout van de bespreking van dr. Koets is dat hij daarmee niet voldoende rekening heeft gehouden. Hij erkent wel dat ik dat gedaan heb, maar hij doet dat pas aan het slot, bij wijze van concessie, van troostprijs, nadat hij eerst het boek uit geheel ander vakpunt heeft beschouwd. Hij beoordeelt mijn boek uit een literair-historisch oogpunt, alsof het er mij om te doen was geweest Augustinus te plaatsen in de lijst van zijn tijd. Zijn bezwaar is dan dat ik over d i e tijd geschreven heb met onvoldoende kennis van zaken, met gebruikmaking van tweedehandse bronnen. Dat hier een theoloog en fïlosoof Augustinus behandelde en niet een historicus. Hij legt daarbij aan mijn boekje maatstaven aan, ontleend aan de werken van Mommsen en Fruin.

Nu kan ik in het algemeen niets anders dan dankbaar zijn voor het toepassen van zulk een bijna absolute kritiek. Maar toch moet ik er hier, in het belang van de zending van mijn boek, tegen opkomen. Want daardoor wordt een andere absolute kritiek in de schaduw gesteld, een kritiek, die ik juist in het volle licht wilde plaatsen: de kritiek van de kerkvader op het heidendom; van de oude kerk op de moderne tijd; van de Heilige Schrift op de gevallen wereld; van Christus op het rijk des Bozen.

Wij hebben nu voorlopig genoeg Monographien zier Weltgeschichte. Daarmee komen wij niet uit de crisis. Van Augustinus ontbreekt weliswaar een standaardwerk, dat deze grote Europeaan (dr. Koets zal zeggen: hij was een Afrikaan) levensgroot in de moderne literatuur uitbeeldt. Maar we hebben toch boeken als dat van Bertrand, dat zijn weg in meer dan honderd drukken door de wereld heeft gevonden. Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat ik er niet aan dacht zoiets te proberen. Ik schreef als theoloog, maar trachtte mijn theologie, of liever die van Augustinus, zo algemeen mogelijk te houden, zodat er meer dingen door geraakt werden dan die welke gewoonlijk in een preek voorkomen.

Dat dit zijn bezwaren en gevaren meebrengt, daarvan was ik mij wel bewust. Ik moest een min of meer aanschouwelijke voorstelling geven van Rome, van de Oudheid, van het Humanisme, van de Staat, zoals de kerkvader die aantrof, in heel kort bestek. Deze dingen komen voor in de werken van Augustinus en Plotinus, die ik niet uit de tweede, maar uit de eerste hand ken. Voor de historische aankleding was ik natuurlijk op boeken als van Mommsen, Burckhardt, Gibbon, Boissier, Dill e.a. aangewezen. De hoofdzaak blijft echter onder alles door de theologische kritiek, die aan Augustinus zelf ontleend is.

Op deze wijze ontstaat een gemengd genre, dat naar de theologische zijde sterker zal zijn dan naar de historische. Daaraan een eenzijdig literair-historische maatstaf aan te leggen, lijkt mij onjuist. Maar ook dan nog voel ik mij, na de kritiek van dr. Koets, niet zo dood als hij misschien nodig vindt.

Opmerkingen over de aard van een taal, over het ontstaan van een Europese geestesrichting als het Humanisme, over het karakter van de keizerwaanzin zijn nog niet afgedaan, als men ze met een blauw-potloodstreep voor fout noteert. Als ik schrijf dat in Caracalla en Heliogabalus Romes oude grootheid zich uitraast, dan vat dr. Koets, die volgens zijn zeggen zich hierbij de ogen uitwrijft, dit vermoedelijk zo op dat ik hun een oud-patricische afkomst zou toeschrijven. Dat hun stamboom niet naar Rome voert is mij echter wel bekend. Daarmee is echter nog niet gezegd dat hun waanzin met Romes demonische grootheid niets te maken had. De laatste vragen uit de historie liggen binnen de grenzen der theologie. En het is juist Augustinus geweest die ze in de tegenstelling van heidendom en christendom heeft betrokken.

Daarom kan ik de literair-historische kritiek op mijn boekje niet geheel aanvaarden. Ik hoop nog gelegenheid te zullen vinden enkele historisch-theologische lijnen daaruit of liever uit Augustinus' hoofdwerk in dit blad te onderstrepen.4

Eindnoten

  1. 1

    De eerste druk van N.' Augustinus (Haarlem 1933) werd kritisch besproken door P.J. Koets in het Algemeen Protestantsch Kerkblad 1 (1934) nr. 33, p. 333v.onder de titel 'Augustinus'. Het Algemeen Protestantsch Kerkblad. Weekblad voor de protestantsche kerk in Nederlandsch-Indië, verscheen vanaf 1934. In de eerste jaargang wordt N. vermeld bij de vaste medewerkers. In dit blad was opgenomen het Indisch Protestantsch Kerkblad. Rechtzinnig maandblad, opgericht in 1930, waarin N. met ingang van de derde jaargang als medewerker staat vermeld. P. J. Koets (1901) werkte vanaf 1929 in Indonesië o.a. als leraar. Na zijn terugkeer in Nederland (1950) was hij hoofdredacteur van Het Parool (1951-1961) en daarna wethouder van onderwijs te Amsterdam.↩

  2. 2

    E. Ludwig (1881-1948), Duits, vanaf 1932 Zwitsers schrijver, die in de jaren twintig wereldberoemd werd door zijn biografieën van Goethe (1920) en Napoleon (1924). Deze werken berustten niet op eigen bronnenstudie en kenmerkten zich door een psychologiserende en actualiserende benadering.↩

  3. 3

    N. reageerde op de bespreking door Koets in het Algemeen Protestantsch Kerkblad 2 (1935) nr. 21, p. 305 v. onder de titel Augustinus.↩

  4. 4

    N. vond daartoe inderdaad de gelegenheid. In dezelfde jaargang van het Algemeen Protestantsch Kerkblad verschenen in deze geest resp, Rust of bezigheid (nr. 24, p. 362). Grenzen (nr. 34, p. 508-509) en De ware grens van de staat (nr. 41. p. 612). Zie VW., dl. 7.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Augustinus (1933)Deel 3De Confessiones van Augustinus (lezing) →