Barth en zijn theologie1
Dogmatische belangstelling opgewekt. Het is lang geleden, dat om het dogma gestreden werd als volkszaak. Dat er leeroproeren plaats konden hebben zoals nu broodoproeren. Zover is het nu ook niet.
Maar toch is merkwaardig de snelle bekendheid, die de theologie van Barth heeft gekregen. Dit herinnert aan de mogelijkheid van een meer theologische tijd. Dat de spits van de resultante van het denken niet naar beneden, maar naar boven zal wijzen.
Het is niet te ontkennen dat er een tijd achter ons ligt waarin de theologie scheen te verdwijnen. Men ziet het aan de kerken, eilandjes in de zee. De kerkelijke partijen hun kleine steekspelen naast het werkelijke leven. Theologie en zedekunde soms een poging om uit het werkelijke leven te komen. In de blauwe lucht. Soms in de steden een zaak van oude juffrouwen en dominees. Het geloofsleven een apartje in ons leven. Een theologische tijd moet het geheel van het leven in zich opnemen.
De theologie van Barth c.s. staat in regelrecht verband met de hele toestand van de tijd. Een volheid des tijds. Augustinus en de ondergang van het Romeinse rijk. Barths theologie en de Europese toestand. Het heden, al is het slechts heden, openbaart het eeuwige. Ik mag van het heden niet abstraheren. Niet alleen de kerk, maar ook de politiek, het socialisme, het bolsjewisme. Dat wil niet zeggen dat diplomaten en werkstakers dadelijk de boeken van Barth zullen gaan lezen. Maar wel is hier een beschouwing, die hun belangstelling zou kunnen opwekken. Niet in het minste iets dat wijst in die richting.
Barth is Zwitsers predikant geweest en daarna professor in Göttingen en nu in Münster. Onlangs was hij hier in het land met een zwerm studenten achter zich.2 Hij heeft een uitlegging geschreven van de Romeinenbrief. Dat is Paulus' belangrijkste brief. Luther heeft het Evangelie leren kennen uit de Romeinenbrief. Een brief die wel wereldhistorie kent. Als men dat boek leest, komt het er eigenlijk niet op aan waar men begint. Ik vergeet daarbij bijna dat het een commentaar is. Het is een hele dogmatiek, een geloofsleer. Dit boek heeft zeer de aandacht getrokken en juist niet alleen in kerkelijke kringen. Iemand als Graf Keyserling3 heeft gezegd dat de theologie in deze richting ligt. Het is een deel van een algemeen verschijnsel: de werkelijkheid laten spreken, de hele brede werkelijkheid. Pragmatisme. Geen romantiek. als mijn verbeeldingskracht werkt. Geen utopie, als ik maar ver genoeg reis. Romantiek is een kringetje in ons leven trekken en een kring buiten ons leven.
Wat daarbuiten valt is het dagelijkse leven. Wat daarbinnen valt is het geloofsleven. Soms trekt men zich dan terug op het geloofsleven. Dagelijkse leven - eeuwige leven. Gemoedsgestalten, gezindheid. Of utopie: hemel, toekomststaat. Wij kennen de toorn daartegen van de arbeiders. Dit realisme is welbekend uit de negentiende eeuw. Maar het twintigste-eeuwse wil anders zijn: het geloof erbij behouden, de werkelijkheid op God betrekken, niet in de werkelijkheid blijven bij de mens. Juist op grond van de werkelijkheid tot God komen. Hier houdt ons nu bezig welke invloed dit gelovig realisme4 op de geloofsleer heeft. Dan hebben we sterke steun nodig: niet wij, God.
Een andere trek van onze tijd is de vraag naar de absoluutheid van het christendom of liever van het Evangelie. Is nu werkelijk die boodschap van Jezus Christus geheel enig, is die onvergelijkbaar en zijn er geen andere evangeliën, die dit Evangelie betrekkelijk maken? Heeft de vergelijkende godsdienstwetenschap het christendom niet betrekkelijk gemaakt? Dat is geen wetenschappelijke aardigheid. Vele mensen, vooral jonge mensen, zouden graag zich geven aan het Evangelie, als ze wisten zich daarmee aan het laatste, het absolute te hebben overgegeven. Aan God en niet aan mensen. Ze hebben zo sterk het gevoel te moeten oppassen dat ze niet met grote woorden door mensen worden gevangen in plaats van door het Woord Gods. Het Woord Gods moet het laatste woord zijn.
De theologie van Barth is een vereniging van deze beide: het werkelijke leven, de realiteit, en het absolute Gods. God en het werkelijke leven. Zij wil met de werkelijkheid rekenen en dan niet blijven hangen in een amechtig pogen of een romantisch gevoel of een utopisch toekomstideaal, maar de werkelijkheid Gods aanwijzen.
Welke weg is er nu die uit de boze werkelijkheid leidt naar de werkelijkheid Gods, het absoluut goede? Geen weg. Welke weg - zo, dat het geen verbeelding is, geen romantiek, geen utopie, maar werkelijkheid tussen twee werkelijkheden in de wereld, in ons leven? Is er ergens een hemelladder te vinden, een ladder Jakobs? Heilsweg? Men voelt wel: dit is een oude levensvraag. En het antwoord van Barth is ook wel niet nieuw, maar het wordt onder bijzondere omstandigheden met bijzondere klaarheid gegeven. Wanneer wij die vraag stellen: wat zullen wij doen?, dan zegt Barth: voelen wij beter dan vroeger onze radeloosheid. En de radeloosheid van die vraag wordt opgehelderd in het antwoord: geen weg. De enige overgang is de dood. Dat is dus geen brug. Alle bruggen, overgangen worden afgebroken. Alles wat doet denken: daarlangs! wordt afgewezen. De dood is het venster.
Nu is dat antwoord ook al niet onbekend. De dood een doorgang tot het eeuwige leven. Maar de consequenties zijn toch niet gewoon. De zeer gewone opvatting is, dat de dood als doorgang eigenlijk geen dood, geen einde, geen dood = begin meer is, maar een overgangstoestand van het leven, van dit leven, namelijk het geestelijk leven. Het dagelijkse leven blijft dan achter; daarvoor is de dood. Als we de dood een doorgang tot het eeuwige leven noemen, dan bedoelen we dat er iets doorgaat; er blijft iets; er is voortzetting. De tijd vermeert de eeuwigheid; de kleinste ontwikkeling houdt haar waarde. Voor kerkelijke mensen heet datgene wat blijft de nieuwe mens, de mens die heeft leren geloven, bidden, kerkgaan, liefdadigheid oefenen. Voor mensen in de wereld heet het meer wijsgerig: de persoonlijkheid, de cultuurmens, dat is de binnenmens, die als het ware in dit leven van de doodsbaar overeind rijst; die het dagelijkse leven al verlaat en een geestelijk leven gaat oefenen; die de werkelijkheid al te boven is en in de eeuwigheid leeft. Het is in sommige opzichten de zondagse mens - daagse mens. Barth heeft oog voor de mens die zijn dagelijks werk doet en bidt om zijn dagelijks brood. De mens wiens leven een gestadig dagelijks sterven is. 90% hebben zondag geen tijd om een persoonlijkheid te worden. Ze hebben geen tijd om hun ziel te verzorgen, geen cultuur, alleen dagelijks. En degenen die wel tijd hebben? En wel lust? Is hun geestelijk leven, hun persoonlijk leven, hun cultuurleven zoveel meer dan een vernisje over hetzelfde dagelijkse leven van de anderen? Zal dat wat zij meer hebben, zal dat de brug kunnen vormen naar de eeuwigheid? Is dat het absolute christendom, dat tegenover de werkelijkheid stand zal houden?
Neen, Barth wil realist zijn. Elk stuk van het dagelijkse leven moet in het absolute Evangelie redding vinden. Maar dan blijft het leven ook in de werkelijkheid - dat is in de dood - liggen, tot Gods leven komt. Dan is er niet een tussenstaat, een soort zielestaat, die de dood overduurt. Barth zegt dat wij van de dood zelf iets maken als: in Christus ontslapen. Als een kunst. Barth acht heidendom de grove werkelijkheid te ontlopen en het goddelijke slechts in de sfeer van het onzichtbare te zoeken. Dan kan men naast de werkelijke wereld een fantasiewereld denken en is er plaats voor beide naast elkaar. Ze stoten niet op elkaar. Geen religieus materialisme wil men. Barth verbiedt dit. De zedelijkheid Gods is reële toekomststaat. Geen gezindheid alleen. De omvang niet beperken. Geen beperking in realiteit, geen geestelijke verdunning. Volle werkelijkheid.
De werkelijkheid kan niet gedaan worden. Het zijn woorden, maar woorden die betrekking hebben op de werkelijkheid van ons leven in ons werken, struikelen, volle sterven. Daarop betrekking. Een geweldige kritiek slaat onze levensvormen in stukken en betrekt de stukken op God. Elk moment van het leven staat onder de ethische vraag. Er is geen eindig doelpunt dat antwoord geeft. Geen: ik zweer mijzelf een eeuwige jeugd. Genesis en inhoud staan onder de crisis. Dat betekent: dood de zin van het leven.
Maar wie stelt die vraag zo ernstig. Wij toch niet? Als de grond waarop wij staan een afgrond is, dan bestaat de grond Gods. Geen weg. Slechts een venster. Het absolute Gods. Het Woord moet het doen. Dat betekent niet dat de bijbel op een classicale vergadering plotseling openbaring wordt. Maar in de opstanding der doden. Hier is de andere werkelijkheid: de opstanding.
Barth heeft een beschouwing van 1 Kor. 15 gegeven. Paulus' methode. Het grote antwoord. De laatste dingen (geen woorden meer). IJstijd en ondergang zijn geen laatste dingen in de zin van 1 Kor. 15; slechts een eind zo radicaal, dat het het begin der dingen is, hun totale grond. De rij komt ergens tot staan voor God. De tijd is eindig uit kracht van de eeuwigheid. De dood heeft zin uit kracht van de opstanding. Daar eeuwigheid niet niets, maar alles in allen.a
Wat gaat ons de dood aan, als ze slechts dood is? Wat gaat ons aan wat we niet zijn? De realiteit van alle zijn is de opstanding. De opgestane, die wij niet zijn, daaraan worden gelijk gezet. Beter methodologie dan eschatologie.b Opstanding is geen speciale waarheid voor de hele gemeente. De overwinning der zonde is hun geen overwinning van de dood. Naast deze wereld moet een denkwereld als geheel staan voor hen. Een monistisch wereldbeeld wordt behouden door het voortbestaan der ziel. Opstanding des lichaams is opstanding van dit lichaam dat sterft. Dat is identiteit stellen van twee werelden. Religieus materialismec (gelovig realisme). 't Is om het geheel te doen. 't Is geen dwangbelasting der rede. Wij mogen de grove werkelijkheid niet ontlopen; geen zgn. geloof, fantasiespel met het onzichtbare.d Ons kerkelijke christendom. Achttiende eeuw: van planeet tot planeet. Sommigen hebben geen idee van God. Vergankelijkheid kan het onvergankelijke niet aandoen. Dit 'niet' is de eerste Korinthe-brief. Van het positieve daarachter.e Afgrond des mensen - grond Gods. Redding onbemiddeld.f etafè. Hut in een dalgrond. Zweideutung.g Wat voor historische feiten ...
Gods openbaring. (Anders dan Voortzetting van Genesis.)h Tegenover begraven: Pasen. Lijden van Christus geen gezindheid van Jezus. Woorden nalaten, maar goddelijke vergeving, Pasen. Is de zonde een macht, dan daartegenover een universele macht. Woord - buiten het geweten. Forensisch. Te ontslapen in Christus zo tam. Daartegenover de opstanding.i P. 84: 'Unfug des Sterbens'. Daar wil Paulus niet in rusten. P. 89 vv. Daar is de nadruk zeker.
Paulus spreekt als getuige, niet als zielzorger, lijkverzorger. De tijd is het nog niet'. Maar wij leven tegen de horizont. Christus' opstanding geen mirakel, geen mythe. Christus niet opgestaan zoals Caesar vermoord is.j Wij moeten op God gericht zijn en niet op het godgelijke in Christus. Is de openbaring geen levenswaarheid, dan geen historische waarheid. Korinthiërs menen absoluutheid ... (?) Is de christelijke waarheid slechts innerweltlich, dan sentimentaliteit, illusie. Een slechte heiland voor de levenden zal wel geen betere zijn voor de gestorvenen.k Met welk recht geloven wij aan de verlossing? Dood van de dood?'l⚑ Christus de eersteling; de opstanding al begonnen. Achter de contingente werkelijkheid, waarvan het kennen de dood is, staat werkelijk leven. Praesens-futurum. Het werk van Christus is niet gereed. Men vergeet, bij Godsrijkgedachten, de dood. Alles in allen moet nog komen.m