Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 583–592

Weergave
Passages naar Readwise sturen

De Zwitserse theologie1

Even wil ik in deze niet uitsluitend theologische kring iets ter oriëntering zeggen. Het is een golf van een ander getijde in de beweging der geesten. Humanisme in de achttiende, negentiende eeuw. De bijbel als boek van mensen. De mensheid van Jezus. Het menselijke en natuurlijke in het godsdienstige leven. Het ethische karakter van de waarheid. De praktische betekenis van het christendom. Het verband van christendom en cultuur. De eenheid van denken en geloven. Daarover hebben we veel gehoord. Sommigen zeggen genoeg. Anderen meer dan genoeg. Tot de laatste soort behoren de bedoelde Zwitserse theologen.

Ik noem een paar namen: Barth, professor in Göttingen; Brunner, privaatdocent te Zürich; Thurneysen, Zwitsers predikant; Gogarten. Barth is m.i. de meest originele. Bij hem gaat het over het centrale: God-mens.

Kommentar. Een commentaar die gelezen wordt. Zo gelezen dat men de tekst vergeet en de zaak naar voren komt. Sommigen zullen dit een bezwaar achten; anderen een voordeel. Aan deze Kommentar denk ik nu in het bijzonder als ik over de Zwitserse theologie spreek. Ik bepaal mij tot enkele centrale gedachten.

Ik herinner mij van prof. De la Saussaye een anekdote waarin een student optreedt. Hij wil geen theologie studeren. Waarom niet? 't Is zo lastig. Daar heb je al dadelijk die kwestie van God. Tableau op de studeerkamer. Ik weet niet meer wat de professor zei. Maar wel wat Barth zou gezegd hebben als hij erbij was: enfant terrible, je verklapt wat de professor verzwijgt. Op p. 13 van zijn Kommentar zegt Barth: de vraag of God er is, is nu, tussen geboorte en dood, in onze theologie een hele goede vraag.

1. God is de onbekende God. Dat is de hoofdstelling van Barth. Onze hele taak bestaat eigenlijk in het verklaren van die uitspraak. Ik kan mij voorstellen dat men daarmee de Zwitserse theologie veroordeeld acht. Al dadelijk. Heeft God zich dan niet geopenbaard?

Maar laten we niet te haastig zijn. Barth kan terugvragen: waarmee heeft de theologie zich de laatste tijd bezig gehouden dan met het zoeken naar de onbekende God? Wat is er een moeite besteed om langs historisch-kritische weg zekerheid omtrent Jezus te krijgen.2 Hij is de eigenlijke x, de onbekende van deze wetenschap. Men kan deze werkzaamheid hogelijk waarderen en toch tegenover haar resultaat zeer sceptisch staan. Wat heeft de Leben-Jesu-Forschung een lange en rijke geschiedenis en wat is haar resultaat weinig algemeen geldig.

Allang hebben ernstige christenen een vaste grond menen te vinden in de psychologie en hebben gezocht naar het geloof der gemeente. En ook hier is de 'verscheidenheid der godsdienstige ervaring' verwarrend groot. Hetzelfde kan men zeggen van de meer filosofische bezinning. Wanneer men eens God, Jezus of het geloof heeft uitgedrukt in de termen van de rest van de wereld, eenmaal als onbekende heeft gesteld in onze lange formules, dan kan Barth zeggen, dat het Gode-waardiger is Hem absoluut onbekend te noemen dan Hem deze relatieve onbekendheid toe te schrijven. Wij zeggen dan tenminste iets absoluuts van God al is het een negatieve absoluutheid.

Hierin kan men dus zeggen dat de Zwitsers de nieuwere theologie consequent doortrekken. Deze heeft God tot een kwestie gemaakt. En de Zwitsers sluiten de kwestie en zeggen: wij weten het niet en we zullen het nooit weten.

2. Zij menen echter niet dat ze genoeg gedaan hebben als ze dit heimelijk agnosticisme openbaar gemaakt hebben. Ze vinden dat de moeite niet tevergeefs geweest is en dat er ruimte is gekomen voor het 'sola fide'. Geloven is toch wat anders dan weten. Ieder ogenblik in het geloof moet onder spanning staan. En hoe kan er spanning in het geloof zitten, als alles rechtuit klaar en duidelijk is. Naar zijn kenniszijde is geloof aannemen van wat we niet weten kunnen en naar zijn zedelijke zijde is het accepteren van wat ons ergert. Het geloof neemt met geweld het Koninkrijk der hemelen. Openbaring is openbaring van verborgenheden. Als het historisch-kritisch onderzoek Jezus tot een twijfelachtige figuur maakt, dan kan dit het karakter van het geloof slechts beter aan de dag brengen. En als we God konden in rechte evenredigheid zetten met al onze gegevens, dan komt Hem geen eer en dank toe. Hier is dus geloven en weten niet alleen gescheiden, maar het niet-weten is een integrerend bestanddeel van het geloof geworden.

Hiermee hebben wij het terrein van, laat mij zeggen, de voor-Zwitserse theologie nog niet verlaten. Barth gaat juist hier de theologie 180 draaien. Niet weten, agnosticisme, heimelijk of uitgesproken, is een bestanddeel van heel de nieuwere theologie. Maar het 'wij kennen niet' is voor Barth slechts een negatieve zijde. Om de positieve is het hem te doen. Hij draait de theologie om en zegt: 'Maar wij worden door God gekend.' God weet ons. Dat is de positieve zijde van de theologie van Barth. Het is de eigenlijke betekenis van de onbekende God. Barth wil dat we van God uit zullen -theologiseren.

Men moge oordelen over deze poging zoals men wil, maar het is een stoute wending.3 In Frankrijk heeft de bekende filosoof Bergson voor de filosofie iets gedaan, waarvan de Zwitserse theologie het pendant is. Zoals Bergson van het leven uit wil filosoferen, zo wil Barth van God uit theologiseren. Zoals Bergson ons aanmaant ons met een ruk van onze begrippen los te maken en ons intuïtief in het leven te stellen, zo Barth om ons op Gods standpunt te plaatsen.4

Die kwestie van God. God tot een kwestie gemaakt. En nu ineens zijn wij kwestieus geworden.5 Ik denk aan een overdenking van De la Saussaye over de toren van Babel, waarin eigenlijk hetzelfde werd gezegd. De torenbouwers zoeken de hemel te bereiken. Zij zijn de religieuzen. Maar zij komen er nooit. Want God is. Hij is onder hen en dat maakt hen onrustig, steeds onrustiger; het verwart hen. God kijkt naar hen. Zij worden door God in kwestie gesteld.6

Ik zal proberen deze gedachten minder abstract en meer in aansluiting aan ons levensgevoel te bepalen.

Wanneer Barth alle dingen van God uit wil zien, sub specie aeternitatis, sub specie Dei, dan betekent dat, dat Gods kijk op wereld en leven zo geheel anders is dan de onze, dat ons gehele bewuste en onbewuste leven, ons denken tussen geboorte en dood in al zijn vormen 'van ademen tot bidden' ernaast is. Derhalve: God wordt gekend aan de andere zijde van geboorte en dood. Bijv. de zonde: wat zonde is weten we eigenlijk niet, dat ligt voor de geboorte. God weet het. De zonde moet voor de geboorte liggen. 'Reeds de geboorte is een misdaad', zoals Schopenhauer zegt.a De doodstraf staat erop. En wat gerechtigheid is weten we in dit leven niet. Die ligt achter de dood. Het laatste van ons leven is straf. Tussen deze beide doden ligt ons leven ingeklemd. Door dezelfde poort, de dood, waardoor we binnenkwamen, moeten we er ook weer uit.

Ik vond onlangs een mooi Duits vers, van wie doet er niet toe, waarin een oud boerenhuis werd bezongen. De dichter zegt dat de bewoners misschien denken dat zij daar leven omdat er bloemen in de vensterbank staan en omdat ze een tuintje hebben waar 's zomers de zon in de floksen en de rozen schijnt.7 En dan geeft hij heel mooi het demonisch-geheimzinnige van zo'n eeuwenoud huis weer:

Neen, gij woont er niet: "Nicht Ihr
Leugnung häust hier, Geburt und Tod.
Tägliches Mahl, Herzweh, ein Schatten, Freude und Schlaf."

Zeker, het christendom is er ook. Ergens in een hoekje, maar nergens elders:het crucifix.

"Nichts sonst. Nur Atem.
Atem doch ist Zeit darin wir leben.
Atem des Himmels und der Erde.
Was zwischen beiden ist, ist hier zu Haus."

Dat is fraai gezegd. Het leven in het huis ademhaling tussen hemel en aarde. Uitgeademd bij de geboorte; ingeademd bij de dood. Leugnung häust hier. De poorten van het leven worden gezien. Allereerst de twee grote: geboorte en dood. Dan ook de beide sacramenten van het huis: de maaltijd, de gemeenschapsoefening met God; de slaap, de gemeenschapsoefening met de dood. Twee schaduwen, de ene van de hemel, de andere van de hel. Freude, Herzweh.

Hier is iets van de Barthse visie op het leven. Men zou ze in zeker opzicht de sacramentele kunnen noemen, waarbij het persoonlijk voortleven geen betekenis heeft en van God uit mysterieus licht en schaduw op het levenstoneel valt.

Ook de roomse kerk met haar zeven sacramenten heeft veel meer van dit onpersoonlijke levensgevoel dan wij. Hebben onze Hollandse schilders die kijk ook niet heel sterk gehad? Magische Haltung van een kast bij Goethe.8 Wanneer ik deze vergelijking gemaakt heb, moet ik tegelijk waarschuwen dat men niet moet denken dat Barth een esthetische beschouwing aanhangt. Zijn religieuze filosofie is zo kaal, zo naakt en in dat opzicht zo protestants mogelijk. Het is filosofie van de geest. Maar toch richt zich ook alle aandacht op de poorten van het leven; voor hem twee: geboorte en dood.

Men kan zeggen dat Barth ons leven ziet zoals wij het leven van Jezus zien. Wij kennen ongetwijfeld allen zonder onderscheid betekenis toe aan Jezus' leven, zijn leer, zijn wonderen. Maar niemand kan ontkennen dat de christelijke kerk Jezus' geboorte en dood een betekenis toeschrijft anders dan in het mensenleven. Juist op de geboorte, juist op de dood, Kerstfeest, Pasen, heeft men de nadruk gelegd. Nu kan men zeggen dat dit met de heilsbetekenis van Jezus samenhangt. Maar men kan ook zeggen dat het Evangelie juist de zin van het mensenleven aan het licht brengt. De kerk ziet Jezus door de ogen van Paulus, en nu kan het wel zijn dat Paulus nog andere dingen aan Jezus belangrijk vindt dan zijn geboorte en zijn dood, maar hij spreekt er nooit over. Van de cultuurbetekenis van Jezus' leven merkt men in Paulus' brieven weinig.

En nu neemt Barth de vrijheid onze 'Jezusmatigheid', onze overeenkomst met Jezus te beperken tot geboorte en dood. In datzelfde paulinische licht wil hij ons leven zien. Jezus heeft de zin van ons leven geopenbaard.

God is buiten voor onze geboorte, achter onze dood; voor de lijn waar Adam afviel en achter de lijn waar Christus opstond. Ook deze gedachten zijn vaak door dichters uitgesproken. Wordsworth:9 "Our life is but a sleep and a forgetting.

The soul within us, our life's star,
Has elsewhere its setting
And comes from afar.
Not in entire forgetfulness
And not in utter nakedness."b

Maar toch, de kennis laten we bij de geboorte achter. En wil men uit dit oogpunt een beschrijving van de dood, dan leze men bij Tolstoj die geweldige tekening van de dood in Oorlog en vrede bij het sterven van vorst Andrej. Ook daar de 'überlegene' humor van de dood over het leven uit een oogpunt van kennis - de dood als poort, waardoor we zien in het rijk der waarheid.

Dit alles wordt nu bij Barth consequent in een nimmer eindigende reeks van paradoxen betoogd. Dit ziet hij als het wezen van de paulinische theologie. Barth ontkent niet dat wij tussen geboorte en dood over God praten, over zonde, over de nieuwe mens, over rechtvaardigheid en heiligheid, maar we weten niet wat wij zeggen. Wij praten over God. Maar God kent ons.

Komen wij nu daardoor verder van God te staan en wat blijft er van de zonde over? Wij praten over de zonde. Maar God weet de zonde. Ze ligt voor onze geboorte. Het is het schema van ons leven. De zonde is het soortelijk gewicht van onze natuur. Zo het water buiten de sluis naar beneden stort, zo ons leven bij de geboorte in de zonde. Eigenlijk is de naïeve mens daarop ook niet aan te spreken. Er is te weinig onderscheid tussen hem en de zonde. Hij staat er niet tegenover, maar erin. Hij heeft geen ervaring van zonde. Alleen zoals God hem ziet, met de kennis van God uit, wordt de zonde geweten. Alleen de gekende van de Vader, die niemand kent dan de Vader, die is geheel tot zonde gemaakt, door de kennis van de Vader. Het leven is tot zonde bestemd, omdat God de mens als zonde weet. Daarom zegt Paulus ook dat hij wel het goede willen kan. Maar zijn willen sorteert geen effect. Het doen, dat gelukt de zonde. Voor zover hij zichzelf kent wil hij het goede. Voor zover God hem kent doet hij de zonde.

Daarom is het een onnut werk te proberen in dit leven bijv. met Lhotzky10 uit de religie in het rijk Gods te willen vluchten, of met de mystiek zich te redden in een dienen van God boven de godsdienst. Al deze pogingen verraden dat men nog niet het gewicht der zonde overwogen heeft.

Het ligt voor de hand om nu aan Barth te verwijten dat hij met deze zgn. diepe opvatting der zonde de zonde opheft. Dat de zonde hierop neerkomt dat wij schepselen zijn en dat onze grote fout is dat we mensen zijn en geen God.

Ik geloof niet dat wij daartoe het recht hebben. Wij zijn zondaar in Gods gedachten. Dat de zonde geen toevalligheid is en niet in de vrije wil van de mens gegrond is, dat is alvast geen ketterij. De diepste theologen der kerk hebben het altijd beseft. Ook Calvijn ziet de zonde voor de schepping. Ook voor dr. Geelkerken behoort ze niet tot de algemene geschiedenis. Maar voor Barth staat de zaak nog gunstiger. Want voor hem is zonde dieper dan het creatuurlijke: het is de sluis; het creatuurlijke het water.

Wij klagen, aldus Barth, in een diepzinnige passus die van Augustinus had kunnen zijn, wij klagen over de schaduwachtigheid van ons leven; dat is het creatuurlijke. En tegelijk vergezelt ons de aanklacht tegen de mondigheid van ons leven. En toch verklaart het creatuurlijke die mondigheid niet. We moeten iets niet weten. Waarom is de herinnering zo moeilijk, waar toch de werking van het vergetene, het einde van onze nachtwandeling, zo klaar is? Hier ligt de zonde dieper dan het creatuurlijke.

Dit leven is zoals het is niet zomaar op zichzelf, maar omdat God het kent op een wijze die het vergankelijk maakt.11 Dat wat wij niet weten is de zonde en dat is het; het creatuurlijke is het niet. Uit de verwarring, waarin God ons brengt, komen wij niet uit.

3. Hoe komen we nu van de zonde ar Wij zullen zeggen dat wij ons veranderen moeten. Ons creatuurlijke bestaan moet vergeestelijkt worden; dan worden we Gode gelijk. We moeten leren weten: goed en kwaad, een ethiek hebben. God kennen, dienen, religieus worden. Wij moeten ervaring krijgen. Wij moeten geestelijk leven hebben. Wij moeten God beleven. Het creatuurlijke hebben wij, maar het is zondig. Nu moeten wij het goed maken door gemeenschap met God.

Barth wijst dit alles af. Het creatuurlijke is goed, juist goed. Het heeft niets zondigs. Barth zou hierin tenslotte Bergson moeten herkennen. De vergeestelijking der natuur is evolutie. 'Evolution créatrice.'

Het Evangelie weet niet van evolutie. Het is oordeel. Het is kennen. Gekend worden. Wij gaan niet geleidelijk over uit de staat der zonde in de staat der gerechtigheid. Maar zoals de bliksem schijnt van het oosten naar het westen, in een absoluut moment, zo gaan wij van het ene oordeel Gods over in het andere. Niet wij behoeven uit onze mondigheid op te kruipen, als Luther de Pilatustrap te Rome. Maar als God zijn hoofd omwendt in een eeuwig moment, gaan wij uit de zonde in de rechtvaardigheid.

Het Evangelie is geen evolutie, het is kennen van God; absoluut kennen, onvoorwaardelijk kennen. Het is oordeel tegenover oordeel. Zoals er een kloof gaapt tussen ja en nee, zo tussen de oude en de nieuwe mens. Wat baat het of een mens, zolang God hem als zonde ziet en weet, heen en weer loopt? - Wat geeft het of iemand, die u onsympathiek is, zijn best doet en heen en weer loopt? Blijft zitten, denkt ge, en erger mij niet nog meer. De moeilijkheid is dan een kwestie van kennen en niet van leven.

Wat baat het of in de zonde iemand van dronkaard bijv. zendingsconsul wordt, zolang Gods gedachten niet anders worden? Negatief bestaat de zonde in God. Haar verhouding tot God is haar kracht. Als oordeel Gods is ze onoverwinnelijk. Het goede te willen, dat is mijn zelfkennis. Het kwade te doen, dat is gekend worden door God.

Zo draait Barth de theologie 180 om. Van leven tot denken. Van natuur tot geest. Van evolutie tot crisis. Van mensenmening tot Godsoordeel. God ziet de mens tweemaal. Hij is dubbel gepredestineerd. Daarin juist komt onze volle menselijkheid uit. Het werken van het vergetene, de dood, de verwarrende kennis van God, dat is wat uit onze creatuurlijkheid, uit ons eigenlijk leven niet te verklaren is. Was ons creatuurlijk bestaan slechts leven, dan was er de evolutie en geen zonde en geen verlossing.

Maar het is gekend worden; dat is de kracht der zonde. En het is nog een gekend worden; dat is onze verlossing. Als God het hoofd wendt ziet Hij de nieuwe mens. En tussen de oude en de nieuwe mens is geen overgang, geen voortleven. God kent hem en hij is er. Al zijn eigenschappen zijn anders. 'Neuprädikation.' Het is geen ontwikkeling uit de oude mens. Het is een radicale wisseling van predikaten. En waar blijft de identiteit, als al wat u bekend is wordt opgeheven en door iets anders vervangen? Van uw zonde weet God niet meer. Ik ben het niet; het is buiten mij. Ik ben het wel, want God zegt: gij zijt het. Hij is wat hij niet is; hij weet wat hij niet weet; hij doet wat hij niet doet. Ik - geloof: ik doe het zelf; geloof - niet weten, dat is het andere. Twee mensen zijn het; maar tweeërlei kennis Gods als levensvoorwaarde. Wederkerig zijn ze elkaar gestorven. Ze leven wederkerig elkaars dood. Ze sterven elkaars leven. De dood is het venster waardoor de een de ander ziet. Geen continuïteit, maar absolute momentopname van God uit.

Ik wil de paradoxenwereld een klein beetje opklaren. - Voor sommigen is het bliksemlicht der paradoxen wat fel en ze zien er niet goed bij.

1. Een klein meisje dat stout geweest is - het was een illustratie uit de mond van prof. Van Dijk - wordt stout genoemd en ze is daarin ongelukkig. Haar stout zijn heeft op zich niet veel te betekenen. Negatief is het in het hart en de mond der moeder een macht op haar jong gemoed. Zij voelt zich stout. Even later komt ze vrolijk aanspringen en zegt tegen vader: ik ben weer lief. Wat er dan veranderd is? Ja, moeder zegt het. Dat is theologie van het oordeel tegenover die van het leven. Moment tegenover continuum.

2. Zondag 23: "Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus, alzo, dat, al is het dat mij mijn geweten beklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en van dezelve geen gehouden heb en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben nochtans God, zonder enige mijner verdienste, uit loutere genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad, noch gedaan, ja als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht welke Christus voor mij volbracht heeft, voor zover ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem." Er zijn zeker in zondag 23 elementen, die bij Barth ontbreken. Maar uit een oogpunt van 'Neuprädikation' kan zondag 23 niet overtroffen worden.

Wij moeten thans nog vragen hoe de oude en de nieuwe mens op elkaar betrokken worden bij Barth. De verhouding is niet indifferent, niet onverschillig, zodat de evenaar in het midden zou staan, zodat de mens tussen oud en nieuw zou kunnen heen en weer lopen. Er is voortgang in de beweging. God schept ons reflexief en niet causaal. Hij is denken en geen oorzaak in de schepping. Hij is Geest en geen natuur. In de betrekking van de nieuwe op de oude mens bestaat de eigenlijke complete schepping. De volle schepping heeft geen zondaars meer.

Waarom schept God de mens dan niet regelrecht zonder dat dat tegenspel van oud en nieuw nodig zou zijn? Voor de Zwitserse theologie is dat evenals voor Kierkegaard het kenmerk van geest. De geest gaat dubbel uit, de natuur enkel.

De beste illustratie van deze wat abstracte zinnen is Dostojewski. De karakters van Dostojewski's romans zijn op enkele uitzonderingen na allemaal dubbel. Zij zijn niet zondaar of heilige als bij Dickens, maar zondaar en heilige tegelijk. Ze werken niet regelrecht op ons, maar in een gebroken lijn. Dostojewski kent de donkerste hoeken van het leven, maar hij kent hen tweemaal en uit de duisternis roept hij hen op naar hun eeuwige betekenis. Deze scheppingen hebben veel dieper wortel dan die van Dickens, al is het dat de laatste ons nader staan. Dickens laat ons zijn figuren zien na de zesde dag; Dostojewski gaat met ons terug tot voor de zesde dag en wij horen ook bij de schepping van de mens het eerst: God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Bij Dostojewski voelen wij de beide oordelen Gods over de wereld gaan. Wij zien heiligen die tot grote consternatie van de omgeving en tegen alle verwachting in een lijklucht verspreiden; en lichtekooien en moordenaars om wier hoofd, zonder duidelijk aanwezige reden, de lezer een heiligenschijn ziet uitstralen. Een bekering vindt men in hun leven niet, evenmin als in de levens der meeste bijbelheiligen. Licht en donker zijn niet in tijdsorde afwisselend. De reden waarom ze zondigen blijft achter hun leven verborgen. De zonde die ze zullen doen is lang voor de daad reeds geweten (Raskolnikow). Hun leven gaat ernaar toe als een beek in een bedding. Soms - even - zien ze zelf wat ze gaan doen. Maar slechts even. De zonde volbrengt zichzelf; zij willen het goede, maar God weet het allang. En even geweldig als hun zondebestaan hen omvangt, doet het ook de genade. 'Ehemalige Leute', zoals Gorki12 ze noemt, mensen die er voor de fatsoenlijke wereld geweest zijn, leven nog; en ze leven niet half. Hun leven lijkt stuiptrekken, maar die trekkingen zijn tegelijk het trillen van Gods mondhoeken in eindeloze barmhartigheid. Ze schreeuwen met schrille stemmen, die ondergaan in het straatrumoer. Maar de echo klinkt in de hoeken der eeuwigheid. Ze wenen in een hoek en van een bedstede hun verloren leven uit; maar daar liggen ze aan Gods borst en Hij droogt hun tranen. Arme scharminkels verdoen hun laatste centen aan een maaltijd, waar ze elkaar in halve razernij de resten van het bord naar het hoofd gooien. Maar Jezus voelen we zitten tussen de hoeren en tollenaars en Hij eet en drinkt met hen.

Voor Barth is er geen theodicee nodig om de dood een plaats te geven in het leven. Hij is venster naar de nieuwe mens; naar Jeruzalem. - In Dostojewski's romans voelt men zich niet opgewekt de ellende der wereld optimistisch weg te verklaren. Ze is wezenlijk; men hoeft haar slechts om te keren en men ziet de zaligheid. Deze is de 'revers'c der ellende en des doods. Een omwending van Gods hoofd, meer niet. Een absoluut moment. Gods barmhartigheid 'frisst die Sünde' (Luther)d Dit is dialectische theologie. God werkt als Rembrandt. Hij roept een dag uit de nacht; de mens uit de zonde en de dood. Dit is pas schepping uit niets. Uit niets, veel absoluter, dan wanneer een heilige zich door evolutie uit de cel ontwikkelt. Dit is ja uit neen. Zoals de bliksem uit het oosten naar het westen schijnt, zo roept God zijn heiligen. Op zijn woord zijn ze er als het licht op de eerste dag.13

God stelt de mens in kwestie, de eerste maal. Hij wordt door God geweten en hij is zonde. Geen ethiek, geen religie, geen kennis van God kan ons bevrijden van deze kennis, waarmee God ons kent. Geen lopen, geen willen, maar alleen ontferming vermag hier iets. Alleen een ander kennen van God, als God ons ook zo en nu voorgoed wil kennen. Alleen Gods kritiek op de zonde redt ons. Als God nu ten tweeden male ons kent, stelt Hij de zonde in kwestie. Zo 'überlegen' ziet God naar de zonde dat ze in zijn oordeel wordt opgeheven; zij is niet meer.

De zonde van voren aanvallen, haar in ernst nemen, is het afleggen. Payot,14 in De opvoeding van den wil, leert dat zijn studenten. De Hollandse theoloog Kohlbrugge wees het aan in het monnikswezen. Luther leerde het tegenover Augustinus toen hij uit het klooster ging, waar deze inging. Men moet de zonde in de nek kijken. Men moet haar kennen, zodat de zonde tot een kwestie wordt. God kijkt haar stuk, in vernietigende kritiek, voor ons en daarmee is haar prikkel gebroken. Ineens. Ze is dood. En wij zijn der zonde gestorven.

Men zou kunnen zeggen dat het eerste moment, de kennis Gods waardoor wij zonde zijn, de ernst is. De tweede is de goddelijke humor. Ze is klaarheid, opklaring van een aangezicht over ons leven. De zonde is in kwestie gesteld en daarmee is er van haar niets overgebleven.

Men kan ook hier zich beklemd voelen door het absolute van de dialectische theologie. Men mag echter niet zeggen dat zonde = creatuurlijkheid, metafysisch. Ver achter het creatuurlijke is hier de zonde op God betrokken. Ze is kennis, een moment in de geest, en is het tegengestelde van creatuurlijke neutraliteit. Haar kracht en haar nietigheid beide zijn gevolg van onze aanwezigheid in Gods gedachten. - Hier zijn wij mens in de tweede persoon.

Ik sprak van de kapitale wending van leven tot gedacht en gekend worden. En van de betekenis die het zondaar zijn en het kind Gods zijn daarbij heeft. De zonde dieper dan het creatuurlijke. De rechtvaardigheid hoger dan het creatuurlijke.15

Ik zou hier moeten spreken over de betekenis van Jezus Christus, over ethiek en religie, over wat tussen geboorte en dood door ons van God geweten wordt en wat Jezus van God weet. Dat is de tegenstelling. Jezus, dat is ons standpunt aan de andere zijde des doods. Ethiek, religie, dat is ons standpunt aan deze zijde.

Ik zal daarover niet meer spreken. Ik meen hiermee genoeg gedaan te hebben als ik heb laten voelen:

1. dat de onbekende God niet negatieve, maar positieve theologie betekent,

2. dat dit positieve ons niet in indifferente creatuurlijkheid op afstand van God plaatst, maar ons in de tweede persoon in tweeërlei zin in zijn gedachten stelt als gekenden,

3. dat deze absolute wending van Gods aangezicht ons van al onze aardse halflieden verlost.

Voetnoten

  1. a

    A. Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, dl. 1, boek 4, par. 63. Arthur Schopenhauers sämtliche Werke, P. Deussen ed., dl. 1, München 1911, p. 419, waar S. de dichter Calderon citeert: "Denn die grösste Schuld des Menschen Ist, dass er geboren ward."↩

  2. b

    N. citeert hier de ode Intimations of immortalitity from recollections of early childhood, nr. 5, opgenomen in The poetical works of William Wordsworth, E. de Selincourt en H. Darbishire eds.. dl. 4. Oxford 1947, p. 281. In deze uitgave luiden de eerste drie zinnen: "Our birth is but a sleep and a forgetting: The soul that rises with us, our life's Star, Hath had elsewhere its setting."↩

  3. c

    Zie voor deze term Römerbrief, p. 147 v.↩

  4. d

    Cit. naar a.w.. p. 170.↩

Eindnoten

  1. 1

    Zie voor de herkomst van deze in manuscript bewaard gebleven lezing noot 1 van het voorgaande, gelijknamige artikel. Alleen die citaten zijn geannoteerd die niet voorkomen in dat artikel.↩

  2. 2

    Terzijde: Uitspraak Cramer.

    Waarschijnlijk doelt N. hier op J. A. Cramer (1864-1952), hervormd theoloog, vanaf 1921 hoogleraar kerkgeschiedenis te Utrecht. C. behoorde tot de ethische richting. Hij schreef o.a. over het probleem der Schriftkritiek.↩

  3. 3

    Terzijde: Descartes, Bergson.↩

  4. 4

    Terzijde: Leven-kennis.↩

  5. 5

    Terzijde: Jonkertje.↩

  6. 6

    Terzijde: Abraham.↩

  7. 7

    Terzijde: Ze worden geleefd.↩

  8. 8

    Zie dl. 1, p. 136.↩

  9. 9

    Zie dl. 2, p. 83. noot 7.↩

  10. 10

    Zie dl. 1, p. 76. noot 22. Vgl. Römerbrief, p. 223.↩

  11. 11

    Terzijde: Ps. 90.↩

  12. 12

    M. Gorki ( 1868-1936). Russisch schrijver, die, reeds vroeg marxist, vooral na 1917 grote betekenis had voor het Russische literaire leven.↩

  13. 13

    Terzijde: De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus.↩

  14. 14

    J. Payot (1859-1940). Frans filosoof en pedagoog. Hij schreef verschillende werken over zedelijke opvoeding, waaronder het door N. aangehaalde De opvoeding van den wil (Zwolle 1912), waarin P.'een methode' wilde bieden 'om tot heerschappij over zichzelf te komen'(pV). Zijn ideeën vonden in de eerste decennia van deze eeuw veel weerklank↩

  15. 15

    Terzijde: Prof. Kohnstamm.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Zwitserse theologieDeel 3De theologie van Barth en Brunner speciaal in verband met hun waardering van het humanisme →