Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 409–417

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Gereformeerd-ethisch1

Moeilijkheid: a. Geen theologische vergadering. b. De theologen die er zijn. de lendenen omgord. Bovendien klachten over afnemende belangstelling in de theologie. In de NRC. is er nog juist op gewezen in verband ook met de beide theologenvergaderingen, waarbij leken aanwezig zijn, te Amsterdam en deze.a In het Jaarboek voor het protestantsch theologisch onderwijs heeft een theologisch student zelfs gezegd dat hij en zijn medestudenten er geen zin in hebben.b

De vraag of het mogelijk is in onze tijd theologie te behandelen voor vakmensen en leken tegelijk, of men, ik zeg niet Calvijn of Luther, maar Schleiermacher mag noemen en Gunning, wiens geboortedatum valt in mei van dit jaar. Zijn hun namen levend of zijn het vaktermen geworden? Zo ook predestinatie, getuigenis van de Heilige Geest, verzoening enz.? Is de theologie ook bezig een abstractiewetenschap te worden, zoals haar tegenpool, de natuurkunde, in de algemene relativiteitstheorie. En is het theologisch menselijk bewustzijn bezig zich te splitsen? Zó, dat de theologie meer en meer een deel van de filosofie zou worden en de leken geen theologie zouden hebben dan in de vorm van praktisch christendom en fundamentalisme? Het heeft er soms iets van.

Daartegenover staat een andere stroming die zich beijvert om godsdienstige en ethische vragen onder de aandacht te brengen van wat de Fransen noemen: 'l'honnête homme', de beschaafde leek op elk gebied. Pascal heeft in dezen een beroemd voorbeeld gegeven, toen hij in zijn Provinciales de schijnbaar droge kwesties van de casuïstiek der jezuïeten voor de rechtbank van het lezend publiek bracht. Elles raillent finement.c Ook in onze tijd een gebruikelijke manier, maar ook hier vindt de theologie gemakkelijk haar grenzen.

Leesbaarheid en verstaanbaarheid van de bijbel.

De bijbel is geen leesboek - Woord Gods - en de evangelisten - Markus of Lukas - zijn geen letterkundigen, wier eigenaardigheden of aardigheden bestemd zijn om het Evangelie salonfähig te maken. Het zijn beiden aartsengelen die hun bazuinen richten naar de vier windstreken, dat de einden der aarde het horen. Het Woord Gods komt niet uit de kaartenkast, maar uit de hemel. Ook hier vindt de theologie licht haar grenzen. Theologie is niet abstract, maar preek; filosofie, maar van de prediking. Zo een zaak van een heel volk geworden. Het gaat om God en om de zaligheid. Dat zijn geen vaktermen. En evenmin zijn het onderwerpen voor aardigheden, waarover men fijn raillerend behoeft te spreken om er aandacht voor te vinden. Ze gaan een mens toch wel aan. Als goed theologische woorden vreemd mochten worden onder ons volk, dan ligt dat aan ons. En vragen als van genade of werken, verkiezing of verwerping, dat is Jehova of Baäl, God of Mammon, Christus of Belial. Dan staat een volk op de scheidsweg. Ze raken ons zó van het hoofd tot de voeten en gaan zó door tot hart en nieren, ze omvatten ons zó in leven en sterven, dat we geen ogenblik bang behoeven te zijn dat de theologie in onbruik zal raken. In deze gedachtenlijn bevinden we ons wel als ik het woord gereformeerd noem. Gereformeerd geestesleven veronderstelt persoonlijke levensernst. Niet van enkele geleerden of geletterden maar bij gehele volkeren.

Cuius regio, eius religio is hier uitgesloten. De regio bepaald door de religio, theocratie. Het is een machtige geestesbeweging. Bij de dopersen ongebonden; bij de gereformeerden onder ijzeren tucht. Engelse revolutie-kerken: Weingarten, Macaulay.2

1. Nergens is het Evangelie dichter aan de oppervlakte van het volksleven gekomen - eruptief - catastrofaal.

2. Nergens heeft het zo de politiek bepaald.

3. Of zo alle standen verenigd in kerkelijk leven. Geen aparte beroepsmoraal.

4. Nergens door de tucht gegrepen naar het ideaal.

Bij de gereformeerden is het meest de Westeuropese dogmenvorming en vrijheid aan de dag getreden. De leervorm bepaald door de preek, door de geestelijke toepassing op het hart en het leven. Niet in stichtelijke zin, als nabetrachting, maar in scheppende zin, als een voorbereiding voor de eeuwigheid. Niet alleen van het persoonlijk leven maar van het leven van hele volkeren. (Dat is de (betekenis?) van Barths dogmatiek.) Prediking, geest, leven lopen hier parallel. Prediking en geest. Dat er ook in ons volksleven nog zulk een geestesmacht leeft, vrij dicht onder de oppervlakte, daarvan ben ik overtuigd. Maar wij beschikken er niet over en ze is niet het particulier bezit van een groep. Wat zou het anders geven in kleine kring te theologiseren over dingen, waarvan een hoe langer hoe groter volksdeel de namen nauwelijks kent.

Theologie is over God en bij God is geen aanneming des persoons.

Voor zover het over de mens gaat is hij er als zondaar in betrokken. De massa perditionis staat tegenover God in de theologie. Theologie is voor een grote onkerkelijke stad. Zo hebben Jona, Jezus en Paulus het gepredikt. Ze zal niet in onbruik raken. Er is in een grote onkerkelijke stad meer gereformeerde theologie dan op een confessioneel dorp.

Deze souvereiniteit Gods, deze vrije geestelijke stuwing, geeft aan het gereformeerde leven zijn ernst. Velen zullen zich dat niet zonder ontroering uit hun opvoeding herinneren: gevouwen handen, schriftlezing, psalmgezang, geen liturgische handelingen, in het profane leven ingeschoven, maar exponenten van het leven. Niet toevallig dat wij het eerst aan het gezin denken. Ook wel kerk, sacrament, maar meer persoonlijke sfeer, de onzichtbare kerk in verband met absolute prediking. Absolute prediking = uitverkiezing. Daar waar we dichter stonden bij God de Heilige Geest. Waar in het leven van bekering en wedergeboorte de geest catastrofaal onder de oppervlakte is. Dan is er op grote afstand niets te bespeuren van hiërarchie of liturgie, van kerk in de plechtstatige zin van het woord. Rechte weg van het hart naar het hart der eeuwigheid. De ritselingen des geestes. Ook in het sterven niets van laatste oliesel. Friese vrouw: ik moet sterven, gij leven. Meer persoonlijkheid in dier dood dan de eeuwige jeugd van Schleiermacher.

Men heeft mij de opmerking gemaakt dat ernst geen particulier bezit is van de gereformeerden. Ook mohammedanen zijn ernstig, ook katholieken. Maar ik bedoel ernst niet als een wijsgerige deugd naast dapperheid en matigheid, maar, wat men noemt fenomenologisch, in zijn gereformeerde bijzonderheid. Het is de ernst die ontstaat door de nabijheid van het leven van de Heilige Geest. Het gereformeerde leven reageert niet direct op de schepping. Dat doet de heiden in de magie. Het reageert ook niet direct op het drama van de verlossing. Dat doet de roomse in de mystiek. De gereformeerde kent slechts de onmiddellijkheid van het werk van de Heilige Geest, zet de persoon nog dieper dan mystiek - geloof, niet mystiek maar geloof. Het is nog iets anders dan de fijne natuurlijkheid van de heidense magie (mystiek) en de warme historiciteit van roomse mystiek. Het blijft geloof, ook al mogen er rudimenten van magie en mystiek overblijven. In dat opzicht gaat er niets boven de grootse ernst van het derde boek van Calvijns Institutie, waarin Vader en Zoon ons in de Geest worden toegeleid. Ook Kuyper zag in die onmiddellijke gemeenschapsoefening met God door de Heilige Geest het kenmerkend gereformeerde. In zijn Stone-lezingen noemt hij dat het hart der predestinatie. Ook Gunning brengt predestinatie in verband met de Heilige Geest. Met deze onmiddellijkheid van de Geest correspondeert de ernst van het gereformeerde leven. De ritselingen van de Geest vlak onder de oppervlakte, eruptief en catastrofaal. Deze eenvoud is door de gereformeerden niet als bijzaak gevoeld. Moge de ernst in de eerste plaats staan, dan staat de eenvoud toch dadelijk in de tweede. De Pilgrimfathers verklaarden bij hun vertrek uit Engeland uitdrukkelijk dat ze niet om enig bezwaar tegen een geloofsartikel maar om bezwaren tegen de liturgie het land verlieten. Hier is een groep mensen wier trek naar een onbekend land te vergelijken is en in wereldhistorische betekenis zeker niet achter komt te staan bij sommige epische tochten in de oude geschiedenis aan het begin van beroemde beschavingen. En als we dan vragen: wat beoogden deze Argonauten, stamvaders van de machtigste republiek der wereld van heden, dan kunnen wij het zeldzame antwoord geven, dat ze om met Burns te spreken zo gedaan hebben om het tegen al de praal der uiterlijke gebruiken op te nemen voor het hart en tegenover priesterlijke taal en gebaar de taal der ziel voor God in ere te houden.d Dat ze God in geest en in waarheid, dat is in ernst en in alle eenvoud wilden aanbidden. Ernst en eenvoud, Aalders noemt ze bij Calvijn het tremendum en het fascinosum.

Dit is ook de grond van een tweede trek van het gereformeerde leven: de eenvoud. De ernst kan men de waarheid ervan noemen, de eenvoud de schoonheid. In de ernst verraadt de onmiddellijke stand voor God zijn wezen, in de eenvoud zijn vorm. Wie die eenvoud eens heeft ingedronken, heeft onherroepelijk de smaak voor het pompeuze bijv. in Rome verloren. De grote bladen hebben dat indertijd ook wel opgemerkt toen een paar jaar geleden in Amsterdam dat congres was dat ds. Bakker verleidde om te spreken van hostiebakkerij.3 Daarom betwijfel ik ook of de liturgische diensten het zullen doen. Die eenvoud hadden lief en hebben beschreven: Dickens, Burns, Gysbert Japicx, mevrouw Bosboom.4 Achter deze ernst en eenvoud heeft grote kracht gescholen. Hoe anders zouden wij zonder asceten te zijn het gewaagd hebben drie bijna vitale delen uit het leven weg te snijden: dans, kansspel en toneelspel. Het is tegenover de psychische exaltatie van de dans de sterke geestelijke concentratie op het leven zelf als van God gegeven roeping, als arbeid, die hogere kansen biedt dan het spel, en aandacht op een toneel, dat geestelijk en bewegelijk genoeg is om de aandacht te boeien. Dit alles omdat het leven tegen de eeuwigheid gehouden wordt. De onthouding van de schildwacht om beneveling van het oog te vermijden.

Zelfs binnen de praktijk van het geestelijk leven gaat deze vereenvoudiging door. Calvijn staat zeer gereserveerd tegenover de zgn. exercitie pietatis. Hij is daarin absolute tegenvoeter der jezuïeten. We zijn God het leven zelf schuldig en onze oefening bestaat in het doen van wat Hij ons Zelf oplegt. In verband daarmee is de beroepspraktijk meer direct op het leven betrokken dan bij de luthersen. Het geloof is regelrecht praktisch, geen tweeërlei moraal; we staan met ons geloof midden in de wereld. De ziel ligt bloot voor de inwerking van de wereld en de wereld is het onmiddellijke voorwerp in de activiteiten van het geloof. Er is geen grens tussen dit leven en het eeuwige leven voor de wedergeborene. Calvijn weet dat men hem verwijt het christelijk leven hier te verwarren met de staat der heerlijkheid. De gereformeerden zijn de tweelingbroeders van de wederdopers. Ze zijn geen geestdrijvers, maar de drijving des Geestes is wel vlak onder de oppervlakte van het leven. Geringschatting van dit leven, zonder haat of ondankbaarheid (Calvijn).

Ik heb opzettelijk enigszins fenomenologisch mijn onderwerp aangevat. Een paar wezenstrekken naar voren gebracht, geen abstracte leerstellingen. We hebben dan directer aansluiting aan de tweede helft van mijn titel: het ethische en vlugger belangstelling. We zagen de vragen ook in onze kring al staan: praktisch christendom, christendom en cultuur, de liturgische vraag, autonomie, eschatologie.

Wat is nu de ethische richting? Zij is ook begonnen met de ernst op de voorgrond te brengen: Ernst en Vrede. In jaargang drie verklaart De la Saussaye ernst aldus: ethischen willen het levend christendom van de methodisten = bekering en wedergeboorte, Heilige Geest, preek en geest, niet de filosofische ernst van Kant. Met de methodisten tegen de praktisch-liberalen, omdat die niet van Heilige Geest spreken. Het is de ernst der gereformeerden - ethische immanentie Gods tegenover de pantheïstische immanentie en de bovennatuurlijke transcendentie. Hierdoor komt er een speculatief element in het ethische: bespiegeling. De liberalen preken christelijke en filosofische deugden door elkaar. Ze prediken niet het beginsel van het nieuwe leven, de Heilige Geest. Zelfs Beets kan men een verbeterde Van der Palm noemen. Directe toepassing, niet speculatief-dialectisch. De la Saussaye noemt de Institutie van Calvijn speculatief, meer dan enig ander boek van de zestiende eeuw. Empirisch is het aannemen van brutale feiten, bovennatuurlijke zowel als natuurlijke. Ethisch is het opsporen van de samenhang van de ervaring met de hogere orde. Dat is de samenhang met het leven van de Heilige Geest. Zo wil ethisch (De la Saussaye tegenover Hofstede) geen nieuwe richting zijn, maar wijsgerige verklaring van het beginsel van de theologie.

Hier zien we dat de ernst, door De la Saussaye bedoeld, dezelfde is als die we als een gereformeerde wezenstrek leerden kennen. Niet direct reageren op schepping of verlossing, maar onmiddellijk betrekken alleen door de Heilige Geest. Geest is troost. Het werk en het getuigenis van de Heilige Geest is geen directe ervaring, ook in Schrift en traditie niet evenmin als in het hart. Er is nodig om het te kennen een hogere bezinning; het paulinisch-speculatieve.5 Hier voelt de ethische zich anders dan de confessioneel, althans die van voor ± vijf jaar. Deze constateert een tekst, een locus of een ervaring. Men spreekt gemakkelijker met de neocalvinist, de tweelingbroeder van de ethische. Wat er nodig is om het leven van de Geest te kennen is speculatie, geen gnosis; geen theosofie, maar theologie.

Het ethische is een opleving van echt gereformeerd leven en denken; naar de grondstemming zuiverder, meer eschatologisch, minder cultureel verwereldlijkt dan het neocalvinisme; principiëler ingesteld op het geestelijk beginsel - daarom speculatiever in paulinische zin, met gevaar van gnosis; gericht op de doorgronding van het leven des Geestes; in ernst en eenvoud onder de indruk van de onmiddellijke betrekking tot de Heilige Geest, de stuwing des Geestes vlak onder de oppervlakte van het leven der volkeren.

Anders moet mijn oordeel luiden wat betreft de denkmiddelen die gebruikt zijn om de samenhang tussen ervaring en de hogere orde (De la Saussaye) op te sporen, de imitatie van de paulinische speculatie, de verklaring van het leven des Geestes der gemeente. Hier is Kuyper gelukkiger geweest. Ik wil dit toelichten:

A. De eenheid van het geestesleven.

a. Gunning had een zuivere theologische visie. In zijn Leidse inaugurele rede spreekt hij als kerkvader en hervormer. Er is geen overgang tussen Schepper en schepsel. Hij vindt God niet in het denken, maar God heeft hem gevonden. De waarheid bewijst zich, maar als ondoorgrondelijk. De waarheid is niet ethisch, maar mystisch. Hier is de vraag naar het leven van de Heilige Geest in de gelovigen, goed theologisch, in volle helderheid, dat is in volle donkerheid gesteld, het ethische als een onvoldoende categorie aangewezen. Hier rijst de vraag: wie zal dan theoloog zijn? Wie haalt de samenhang van ervaring en hogere orde uiteen? Bij de boedelscheiding: wat is van God en wat van ons? Gelijkenis van de verloren zoon. Hier valt licht op de theologie. Paulus en de mannen der wet, Augustinus en Pelagius, Gomarus en Arminius. Deze taak vervult met schroom, niet intellectuele, maar morele. De la Saussaye in de eerste jaargang van Ernst en Vrede: de moeite- en gevaarvolle poging (in Frankrijk) om de autonomie van het geweten te redden zonder de inhoud van het geloof prijs te geven. Autonomie is het Trojaanse paard. Gunning heeft de eis gevoeld als hij ergens zegt, dat het moet komen tot heilige gewetenloosheid, opheffing die geen vernietiging is.e Deze vraag is het onderwerp van de paulinische speculatie en het speculatieve in het derde boek van de Institutie. Deze taak is de ethische theologie te zwaar geweest.

b. Want van andere zijde werd ook nadruk gelegd op de eenheid der ervaring. Van filosofische zijde Kant - natuurwetenschappelijk. Het is de eis van de gereformeerde theologie, maar natuurwetenschappelijk vervlakt. De reactie op de schepping, magie, kent geen eenheid. De reactie op de dramatiek der verlossing, de roomse mystiek, kent ze ook niet zuiver en niet bewust. Alleen als we met schepping en kruis door de Geest verkeren is de eenheid als probleem gesteld.

Die kantiaanse eenheid, de eis van de eenheid der ervaring in zuiver empirische zin, is verward met de theologische eenheidseis. Dit gevaar was te groter omdat men in de theologie de mogelijkheid van ervaring en eenheid opgaf om ze in de natuurwetenschap terug te vinden. De ethische theologie heeft tegenover het empirische het ethische gesteld, dat is de nadruk van de Geest, de hefboom die God in handen houdt, van leven en overtuiging. Daarin is het donkere gehandhaafd in kennis en ervaring. Maar anderzijds zijn in dat woord ethisch ook concessies gedaan aan de tijdgeest, aan het stellen van de mens als beginsel van de theologie, de verwantschap en eenheid tussen natuurlijke en christelijke theologie.

De ethische theologen en met name De la Saussaye hebben levendig het gevaar gevoeld: De la Saussaye eist een filosofische constructie van het dogma op de grondslag van de openbaring. Maar, klaagt hij, er is over wezen en gehalte van de Heilige Geest weinig overeenstemming. Men spelt Heilige Geest almaar met kleine letter. Zo heeft de ethische theologie de kleine ethiek als een eenheid gezien met de grote ethiek van de Geest. Men zoekt het natuurlijke als zoeklicht te doen spelen op het geestelijke. De wedergeboren mens wordt in het raam van de normale mens gesteld. Als het dan te helder wordt merkt men dat het geen eeuwigheidslicht is en springt in de donkerste hoeken van de theologie terug. Gunning doet dit vaak met een salto mortale. Gunning weet het: in de prediking zijn geloven en weten één.

B. Na de eenheid van het leven van de Geest derhalve de vraag naar de waarheid van de Geest, het getuigenis van de Geest in het hart. Wanneer het waar is dat het gereformeerde leven zich onderscheidt door onmiddellijke betrekking op de Heilige Geest in onderscheiding van het scheppings- en verlossingsdrama, dan de vraag: wat volgt hieruit voor onze kennis van de waarheid? Is de Geest helderder, evidenter dan de natuur en de geschiedenis of andersom?

Bij De la Saussaye Sr. wordt soms meer klaarheid aan het geestelijk gebied voor ons toegekend. Hypothese gemakkelijker. De la Saussaye Jr. stelt ze soms empirisch naast elkaar in zijn eerste tijd. Verificatie. Gunning doet het ook wel eens. Maar hij weet het van het begin tot het eind beter. Het geweten moet opgeheven tot Geest.6 De waarheid is bewijsbaar als ondoorgrondelijk; het rijk der evidentie is de natuur, althans schijnt het te zijn. In de historie heeft het oordeel een minder doorzichtige vorm (Snethlage).7 Het geestesbewijs is ondoorgrondelijk. Het is nadruk van de geest. Het is Gods hand aan de hefboom van onze overtuiging, het is gezag.

In verband daarmee het ethisch karakter van het getuigenis van de Heilige Geest. In de negentiende eeuw is zij evenredig met de zedelijke gesteldheid des harten. Maar wat heeft de zondaar daaraan? Dat heeft de oude Natorp8 nog ingezien. Het waarheidsbewijs moet gelden van de in negatieve zedelijke staat verkerende. Het getuigenis van de Heilige Geest is genade. Het is vrijmacht, onlogisch, verkiezing. Men moet Calvijn zien worstelen met deze diepe kennisleer als hij zegt dat de eerste stap is van onze kant: tekortschieten. Augustinus over geloof: dat ik het kan zie ik, waarom ik het kan zie ik niet. De ethische theologie en kennisleer heeft de neiging daar beneden te zakken. De la Saussaye weet het ook wel: God geeft ons deze dingen zo te zien, maar heel dikwijls wordt het ethische als menselijke gesteldheid opgevat. (Zelfverloochening als voorwaarde van waarheid zien).f De werking van Christus één met het wezen van Christus; Jezus' zelfbewustzijn continu met ons zelfbewustzijn (à la Herrmann). Een klare kennisstreep.

De jongere ethischen hebben dit keer anders gestaan: ze hebben in aansluiting aan de cultuurfilosofie God als een inhoud van onze geloofsautonomie. God, het absoluut niet-eigene, is dan toch (ook hier de paradox) als hoogste cultuur-goed onze eigen waarheid. Gunning is een tijdlang in de richting van deze waardenfilosofie gegaan, maar heeft zich later weer tot strenger ethische opvatting gewend.

Ik behoef hier niet lang over te spreken. Dit kantiaanse standpunt is bezig door vrijwel alle jongere ethischen verlaten te worden. Het is een lege schans. De Spanjaarden zijn eruit. Wie wil kan er hutspot eten. Prof. Van der Leeuw schreef in het Ethisch jaarboek een artikeltje, uittreksel uit een Duits artikel.g Daar is de waarheid heel wat donkerder gehouden. De vraag is of men de cultuurmens kan denken in een verband met de geestelijke mens. In de oude ethische theologie de natuurlijke mens: de cultuurmens was toen nog niet zo in finesses bekend of gereed. Bij Gunning leidt dit soms tot grote verwarring: de hele christelijke ethiek, het leven van de geest in het schema van de normale mens, streven en sterven in één systeem. God vraagt slechts echt mensenleven. Evangelie openbaart humaniteit. Wat eerlijk is is christelijk. Geloof in Christus is waarachtig mens te zijn. Religie is verklaring van het wezen van de mens. Dit is ineenschuiven à la Schleiermacher van filosofische en christelijke ethiek.9 Voorbeeld: komeet. Kan ik het sterven uitdrukken in de formules van het streven? Bij de komeet wel: eenparig versnelde beweging. Maar als de catastrofe komt houdt het ook daar op. Matthias Claudius: "Die merkwürdige katholische, transzendentale Veränderung, wo der ganze Zirkel des Lebens zerbrochen wird"h en wanneer alle wetten der zielkunde "eitel und leer werden". Wanneer men de natuurlijke zedelijkheid en de christelijke ineenschuift. De christelijke past bij de catastrofale sfeer. De normale mens doet de absoluut abnormale niet begrijpen.

Het leven van de geest, catastrofaal, nu reeds onder de oppervlakte van het leven. Prediking, bekering. Dat is de ernst van de gereformeerde en echt ethische levensopvatting. Deze vereenvoudigt ook het cultuurleven. Dat cultuurleven is niet continu, congruent met het catastrofale van de opstanding, maar de Geest zelf die zich eruptief openbaart in wedergeboorte en bekering.

Daarvan ben ik overtuigd dat het noodzakelijk is veel gestolen helderheid in de theologie terug te geven. Bij de deling tussen wat van God is en wat van ons trekken wij de zonde en God de barmhartigheid als op het einde in de gelijkenis van de verloren zoon. Zo passen God en mens in het leven van de Geest bijeen. De waarheid wordt bewezen als ondoorgrondelijk. In de prediking komen pas geloof en weten overeen, in de boodschap van boven af-, hoe immanenter, hoe transcendenter.

Voetnoten

  1. a

    N. doelt op het anoniem ingezonden artikel De leek en de theologie in het Ochtendblad C van de NRC. van 4 april 1929. De vergadering te Amsterdam was die van de moderne theologen, gehouden op 9 en 10 april 1929.↩

  2. b

    W. F. H. ter Braak in het Jaarboek voor het protestantsch theologisch onderwijs 1929, Groningen-Den Haag zj., p. 49. Dit interacademiale jaarboek werd het jaar daarop vervangen door Vox Theologica.↩

  3. c

    Vindplaats onbekend. Vgl. B. Pascal, Les provinciales. L. Cognet ed., Parijs 1965, p. 212 vv.↩

  4. d

    The poetical works of Robert Burns. Poems. J. Skipsey ed., Londen 1887, p. 42: "Compared with this, how poor religion's pride, In alle the pomp of method and of art, When men display to congregations wide Devotion's every grace, except the heart! The Power, incensed, the pageant will desert, The pompous strain, the sacerdotal stole: But, haply, in some cottage far apart, May hear. well pleased, the language of the soul; And in His book of life the inmates poor enrol." Uit Cottar's saturday night.↩

  5. e

    Gunning, Blikken, dl. 3, p. 60 en 65.↩

  6. f

    Terzijde: Gunning.↩

  7. g

    N. doelt hier op G. van der Leeuws artikel Het laatste oordeel, verschenen in het Jaarboek der Ethische Vereeniging 2 (1928/1929), p. 50-55. Van der L. plaatste de gedachten in dit artikel in een wijder theologisch verband in zijn Strukturpsychologie und Theologie, verschenen in het Zeitschrift für Theologie und Kirche 9 (1928), p. 321-349.↩

  8. h

    In de op p. 407, noot b geciteerde uitgave staat: " ... wo der ganze Zirkel unwiderbringlich zerrissen wird, . .↩

Eindnoten

  1. 1

    De hier opgenomen tweede versie van Gereformeerd-ethisch hield N. als lezing op de algemene voorjaarsvergadering van de Ethische Vereeniging, die op 10 april 1929 plaatsvond te Utrecht. De lezing is in manuscript bewaard gebleven. Citaten zijn alleen geannoteerd voor zover ze niet voorkomen in de hiervoor opgenomen eerste versie.↩

  2. 2

    H. Weingarten (1834-1892), Duits luthers kerkhistoricus, o.a. hoogleraar te Breslau (1876). Zijn belangrijkste werk is Die Revolutionskirchen Englands. Ein Beitrag zur inneren Geschichte der englischen Kirche und der Reformation, Leipzig 1886.

    Th. B. Macaulay (1800-1859), Engels geschiedschrijver, diverse malen liberaal kamerlid. Zijn History of England (4 dln., 1848-1861) handelt over de tijd van Jacobus II tot Willem III.↩

  3. 3

    Nadere gegevens ontbreken.↩

  4. 4

    Terzijde: Poppenspel-taal van het hart.↩

  5. 5

    Terzijde: Geest=tweeledig; theologie=geest=preek/genade/zonde/nood.↩

  6. 6

    Terzijde: Tweeslag.↩

  7. 7

    J. L. Snethlage (1886), eerst hervormd predikant, later ambteloos. In de jaren dertig baarde hij opzien door zijn verdediging van de Sowjet-Unie. Zijn publikaties liggen hoofdzakelijk op het gebied van de godsdienstfilosofie. Waarschijnlijk heeft N. hier S.s Proeve eener kritische godsdienstphilosophie (Arnhem 1924) op het oog, waarin S. stelt, dat de geschiedenis alleen in het geschiedkundig oordeel is gegeven (p. 14).↩

  8. 8

    P. Natorp (1854-1924), Duits filosoof en pedagoog, vanaf 1885 hoogleraar te Marburg. Met H. Cohen was N. de belangrijkste vertegenwoordiger van de Marburger school van het neokantianisme. Waarschijnlijk heeft Noordmans hier N.s postuum verschenen Vorlesungen über praktische Philosophie (Erlangen 1925) op het oog, een werk dat volgens sommigen typerend zou zijn voor de oude, 'religieuze' Natorp en dat een breuk zou betekenen t.o.v. de jonge 'panmethodist'. Deze opvatting wordt bestreden door E. Cassirer, Paul Natorp, in Kant-Studien 30 (1925), p. 273 vv.↩

  9. 9

    Terzijde: Brunner en Gunning niet gelijk.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gereformeerd-ethisch (eerste versie)Deel 3Het ethisch beginsel →