Professor Gunning te Leiden1
Gunning gekend te hebben is een voorrecht, dat ik verkreeg gedurende de academische cursus van 1891/92 te Leiden. De tijd was te kort voor het tot stand komen van een vol contact tussen een jong student en de grijze hoogleraar. Maar de indruk is gebleven, levenslang. Met dankbaarheid herinner ik mij wat hij voor ons was; meer nog, wat hij wilde zijn. In die herinnering staan ze onverbleekt: de diepzinnige en vrome rede, waarmee de cursus geopend werd;a de lessen, die tegelijk Evangeliebediening waren; het ziekenbezoek op de studentenkamer; de toegestoken hand op de studeerkamer van de professor, neen, de beide handen waartussen de mijne genomen werd.
Wie zich de persoon van Gunning niet kan voorstellen, mist een bijna onmisbaar middel om zijn werken te leren verstaan. Ik ken niemand van de bekende figuren uit kerkelijk Nederland van het laatste kwart der negentiende eeuw, bij wie persoon en werk zó nauw verenigd zijn. En bij het herdenken van Gunnings persoonlijkheid komt weer zijn gestalte zo sterk naar voren. - Zo ziet hij het zelf ook in zijn geschriften. De idee, de persoon, de gestalte. Telkens vertolkt het volgende het vorige. Wanneer enkele van zijn reeds schaarser wordende oud-leerlingen over het voor hen steeds aantrekkelijke thema 'Gunning' komen te spreken, ziet men het gesprek dan ook dikwijls diezelfde richting volgen. Het eindigt in de anekdote, die weelderig rondom de ontslapene rankt.
Geheel omgekeerd loopt een andere gedachtenreeks, die bij mij opkomt, nu ik Gunnings geboorteklok honderd hoor slaan. Hij was negentiende-eeuwer. Wat De Clercq van zijn zoon Gerrit zei: de hele eeuw is in hem,b dat had ook Gunnings vader van de Blauwkapelse dominee kunnen zeggen. Wie voelde zo zuiver de tijdgeest aan, ook wanneer hij er tegen te velde trok? Met zijn hele persoon, ja met zijn gestalte stond hij onder ons. - Maar tegelijk was hij elders. Zelfs zijn lichamelijke tegenwoordigheid kon dat juist zo sterk doen gevoelen. Er kon iets pijnlijks zijn in die ervaring, te meer, dunkt mij, naarmate iemand hem nader stond. Hij behoorde ook tot Gods andere eeuwen. Middeleeuwer heeft men hem genoemd.c En hij was het door de edele stijl van zijn persoonlijkheid en het mystieke, onkritische van zijn geloof. Bijna onbewust heeft hij in de vier delen van zijn Blikken nog eens uiting gegeven aan de behoefte van vroegere geslachten om alles, wat in de hemel en op aarde te kennen valt, saam te vatten in één gedachtenverband. Dit wondere boek doet mij denken aan een middeleeuwse Summa, veel meer dan aan een gereformeerde dogmatiek. - Maar Gunning leeft ook nog weer elders. Hij dacht ook 'apostolisch'.2 Wij, studenten, hoorden er soms van spreken als een eigenaardigheid van de zeldzame man, door sommigen niet in ernst genomen, door anderen niet zonder bezorgdheid vermeld. Het was geen opwelling, maar een onrust, levenslang. Een zeer opvallende trek in een Nederlands theoloog, lange jaren leraar bij een aanzienlijke gemeente of werkzaam tot opleiding van predikanten. Het is alsof Gunning geen rust had voor hij in de eeuwen der christelijke kerk, zijn geestelijk huis, zo dicht mogelijk tot Christus was genaderd om op het fundament van apostelen en profeten zijn geloof te doen rusten.
Zo behoorde Gunning aan alle christelijke eeuwen toe. Zijn levensideaal was: een van de heiligen te zijn, althans met hen te verkeren, die behoren tot dat mystieke lichaam. Hij wilde daar wel de minste zijn en hij voelde zich ook werkelijk de minste. De minste om het criticisme, het ongeloof, dat toch wel knaagde in zijn negentiende-eeuwse borst, als Montaigne in de borst van Pascal of de gestolen vos in die van de bekende Lacedaemonische knaap. dMaar zo of anders, Gunning wilde en zou meelopen in de heilige ommegang der christelijke eeuwen. En hij heeft het gedaan en we worden nog altijd geboeid door zijn priesterlijke tred.
Dat is de vorm waarin Gunning het ideaal van zijn jeugd heeft voldragen. Want reeds vroeg heeft hij zichzelf, met Schleiermacher, de eeuwigheid toegezworen en met Spinoza alle dingen onder het licht der eeuwigheid gezien. Maar om Christus' wille heeft hij zijn eeuwigheidsvlucht gebreideld en gebroken tot de bedieningen der eeuwen en de liefdedienst der kerk. De vleeswording des Woords is het licht voor zijn aardse wandel geweest. Of liever moest ik, aan Gunning denkende, zeggen: de menswording. Want binnen de grenzen der christelijke nederheid blijft zijn humanisme, zijn liefde voor persoon en gestalte, voor wat mensenaangezicht draagt, bij de heiligen, bij Christus, bij God.
Dit universele, heilig-algemeen-christelijke komt ook uit in Gunnings wetenschappelijke postuur. Vakgeleerde in hedendaagse zin is hij niet geweest, niettegenstaande zijn grote geleerdheid. Ik zou niet gaarne zeggen dat hij het niet had kunnen zijn. Hij zag, bij alle geëleveerdheid, scherp genoeg ook op korte afstand. Zoals hij ook in het dagelijks leven, bij schijnbaar absolute verstrooidheid, een klare kijk op mensen had. Maar zijn methode van kennen was een andere. Hij behoorde tot die orde van geesten, waartoe Augustinus behoort. Hij heeft het schouwen lief en weet het wezen der dingen op soms buitengewoon heerlijke wijze in de taal tot uitdrukking te brengen. Hij heeft de idee meer lief dan het begrip. Hij is als het kind dat niet lang stil kan zitten op de wetenschappelijke bank. Er leeft te veel eeuwigheid in hem. Houdt de idee hem niet geboeid, dan trekt de handeling hem meer aan.
Zo zijn het vooral personen, die in zijn onderwijs naar voren komen. Personen die hij eert en liefheeft. Gestalten die hij groet uit de verte, naar een uitdrukking, die hij gaarne gebruikte. Die met hem voortschrijden in de processie. Maar terwijl hij daar voortgaat stoeit er toch ook om zijn gestalte en cirkelt om zijn hoofd een bewegelijke troep ideeën, die nog geen plaats hebben gevonden voor het hol van hun voet, geen persoon waarin ze belichaamd zijn. Hoevele zijn het wel? Ze zijn niet te tellen. Waar komen ze vandaan? Wie zal het zeggen? Wat heeft Gunning al niet gelezen? In zijn geschriften verdringen ze zich vanwege de menigte. Wetenschappelijk gaat de schrijver er slechts zelden mee om. Dat is een te prozaïsch werk in de onverdroten liefdedienst der kerk. Hij stoeit er mee als met kinderen in een boomgaard in de lente. Hij prijst ze als ze Christus mee willen helpen dienen. Hij bestraft ze als ze het weigeren. Hij voert ze, omkranst, in reidans de Bruidegom tegemoet.
Weer zie ik Gunnings gestalte als adequate uitdrukking van zijn wezen. De la Saussaye heeft het reeds opgemerkt dat Gunning niet, evenals hij, het hoofd voorover buigt ter aarde, als gebogen over de arbeid. Hij werpt het in de nek, zo schreef De la Saussaye.e Gunnings gestalte ook is uitdrukking van dat stoeien - niet van worstelen. Er is spel in zijn wezen, dat uitgedrukt wordt door zijn gestalte. Er is eeuwigheid, jeugd in zijn arbeid, die hem onderscheidt van de dagelijkse moeiten van het vak. Daarbij past ook de lach, die wonderlijke lach, eigenlijk niet passend in het gewone gezellige verkeer van volwassenen, maar begrijpelijk voor heiligen en kinderen. Voor anderen ook wel aanstekelijk, maar op een afstand. Trekkend tot heilige navolging.
Zo zie ik mijn leermeester Gunning, nu ik zijn geboorteklok honderd hoor slaan.