12. De bevoegdheid tot traktementsregeling1
Bij de vraag naar de bevoegdheid der synode tot salarisregeling moet men wel onderscheiden. Men kan bezwaren hebben tegen een regeling, die rekening houdt met de opbrengst van plaatselijke fondsen, zónder nog in een traktementsregeling als zodanig een inbreuk op de rechten der plaatselijke gemeente te zien. Prof. Van Apeldoorn doet echter in zijn Advies het laatste. Hij meent dat de synode zich heeft te onthouden van elke inmenging in deze materie, omdat het een aangelegenheid is die de bijzondere gemeente aangaat.
Als meest algemene grond voor dit beweren geeft hij op p. 252 aan dat de synode alleen voor geestelijke belangen heeft te zorgen. Beheer betekent zorg voor het stoffelijke; bestuur zorg voor het geestelijke. Deze formulering acht ik al dadelijk in haar algemeenheid onjuist. Onder de bestuursmacht der synode ressorteren hele goederen-complexen, die in betekenis wellicht niet behoeven onder te doen voor de kerkgoederen: de diaconiegoederen. Bovendien administreert zij zelve tal van algemene fondsen en beurzen. Alles volkomen in overeenstemming met het Algemeen Reglement. Het stoffelijk karakter ener traktementsregeling kan geen reden zijn om de synode er buiten te houden. Beheert niet dit bestuur letterlijk een fonds tot verbetering der schraalste predikantstraktementen?
Wat nu de gemeenten betreft is er één categorie, tegenover wie bedoelde bevoegdheid reeds terstond moeilijk zal worden ontkend. Dat zijn de nieuwe gemeenten. De vaststelling van een minimum-traktement is het eerst ter sprake gekomen voor deze gemeenten. De commissie uit de synode, waarvan prof. Van Apeldoorn op p. 19 gewaagt, acht dit slechts ongeoorloofd voor 'reeds bestaande gemeenten'.3 Wie ook hier, waar het geldt nieuwe lichamen, wier ontstaan van de erkenning der besturen afhangt, machtsaanmatiging wilde speuren, als deze ten opzichte van het traktement een voorwaarde stellen, moet wel van mening zijn dat de scheiding tussen bestuur en beheer tot de zedelijke wereldorde behoort.
Dit alles moet leiden tot de erkenning dat er in het wezen der besturen niets is wat traktementsregeling verbiedt. Noch de zorg voor het stoffelijke in het algemeen, noch salaris-regeling in het bijzonder is de besturen heterogeen.
De vraag is nu of de in 1816 bestaande gemeenten verkregen rechten hadden. Dit nu wordt door de schrijver van het Advies staande gehouden. Hij betoogt dit op grond van het eerste der additionele artikelen van de Staatsregeling van 1798: "de gemeenten der voormaals heersende kerk blijven gedurende de eerstkomende drie jaren na de aanneming der Staatsregeling de gewone tractament van derzelver leraren en hoogleraren, bij wijze van pensioen uit 's lands kas genieten, teneinde dezelven in die tussentijd de nodige schikkingen maken in derzelver verdere bezoldiging"4 De cursivering der in dit artikel onderstreepte woorden is van prof. Van Apeldoorn, niet van de wetgever van 1798.
Dit had er in het Advies wet even bij mogen staan. Nu maakt het de indruk alsof die wetgever bij zijn afscheid van de kerk nog enkele kerkrechtelijke beschikkingen naliet en de gemeenten, in tegenstelling met de kerk-als-geheel, tot opvolger van de overheid als salarischef benoemde; maw. alsof hij een soort gemeentelijke autonomie proclameerde, zodat de bevoegdheid tot salarisregeling bij landswet aan de plaatselijke gemeente zou zijn opgedragen.
Dit lijkt mij buitengewoon onwaarschijnlijk. Voor zover mij bleek, cursiveerde de wetgever zelf alleen het woord 'drie', daarmede de haast accentuerende waarmee hij zich uit de kerkelijke zaken dacht terug te trekken. Met dit haastig terugtreden zou zeer slecht gestrookt hebben een inmenging in de inwendige aangelegenheden der kerk door het uitroepen van de autonomie der plaatselijke gemeente in enig opzicht.
Trouwens er is geen jaar in onze geschiedenis aan te wijzen, waarin de papieren der autonomie lager gestaan hebben dan in 1798. Centralisatie was alles wat de klok sloeg. Het is ondenkbaar dat in dat jaar, op welk terrein dan ook, een autonomie zou zijn geproclameerd.
Zo hebben de tijdgenoten de bepalingen van deze staatsregeling dan ook niet opgevat. Er zijn aanwijzingen, dat, indien dit artikel na drie jaar werkelijk was uitgevoerd, de kerk toen reeds een bestuursinrichting zou hebben gekregen. In april 1799 concipieerden kerkelijke afgevaardigden een ontwerp, om aan het 'hervormde kerkwezen in Nederland eene vastheid of vereeniging te geven'.
Aan deze bestuursinrichting, die culmineerde in een 'Kollegie van algemeene direktie of algemeene financie en administratie' wilde men de zorg voor de belangen der Hervormde Kerk in de meest algemene zin opdragen. Aan de provinciale besturen zou o.a. opgedragen zijn: 'de uitbetaling inzonderheid van de algemene of synodaal-gewestelijke traktementen der leraren', derhalve juist van dat gedeelte van het salaris, waarvan de staatsregeling van 1798 intrekking bepaalde en dat, na 1801, de gemeenten zouden moeten bijeenbrengen.
Hieruit blijkt dat de uitvoering van art. 1 ook in het algemeen, maar bovenal inzake traktementsregeling, reeds toen in de richting van centralisatie zou hebben geleid en de scheiding van bestuur en beheer gedeeltelijk zou hebben opgeheven.
Wanneer in het woord 'gemeenten' op de aangehaalde plaats een speciale betekenis is gelegd, dan zal die wel niet van kerkrechtelijke aard zijn geweest. Niet de verhouding van algemene kerk en plaatselijke gemeente zit er achter, maar de scheiding van kerk en staat. Het woord heeft een staatsrechtelijke bedoeling. De staat wenst de kerk niet langer als van publieken rechte te erkennen, maar als een private vereniging. In plaats van het instituut der 'voormaals heersende kerk' moeten treden 'de gemeenten' als personenverenigingen.
Wat de voormaals heersende kerk als zodanig genoot wordt nationaal verklaard. Wat de gemeenten krachtens privaatrechtelijke titel bezaten, mochten ze behouden. Wat daartussen het midden hield, als pastorie en kerkegoed, moest zoveel mogelijk, door onderling vergelijk, bij contract, op privaatrechtelijke titel gebracht. Zo wil het de staatsregeling van 1798.
Het woord 'gemeenten' heeft hier dus collectieve betekenis, ter vervanging van 'voormaals heersende kerk'. Wenst men het woord te onderstrepen, dan krijgt daarmee niet de autonomie der plaatselijke gemeente nadruk, maar het verenigingskarakter der kerk. Geheel in overeenstemming hiermee is ook dat men, voor 1802, enige tijd de landstraktementen aan de gemeenten heeft uitbetaald en niet aan de predikanten. Had men plaatselijke regeling bedoeld, dan bestond tegen uitbetaling aan de predikant geen enkel bezwaar. Maar nu stelde men zich liever met een personenvereniging in verbinding dan met iemand die een publiek ambt in de voormaals heersende kerk bekleedde.
Later is dan ook het woord 'gemeenten' vervangen door 'gezindheden', waarbij het plaatselijke geheel terugtreedt; daaronder zijn zelfs personen begrepen, omdat tegelijk pensioenen worden toegekend. Dit ligt ongetwijfeld geheel in de lijn van 1798. Immers in het woord 'gezindheid' wordt nog duidelijker het privaat-karakter der godsdienstige gemeenschap tot uitdrukking gebracht.
Daarom geloof ik niet dat uit de woorden van de staatsregeling van 1798 kan worden afgeleid dat de plaatselijke gemeente in 1816 verkregen rechten had inzake traktementsregeling. De wetgever heeft haar niet benoemd tot opvolgster van de overheid als salaris-chef der predikanten. Wie in de schoenen van de staat wilde treden, dat liet hij aan de kerk zelve over. En wij hebben gezien dat deze zich reeds opmaakte de zaak centraal te regelen.
Maar zelfs al zou zulk een recht uit art. 1 kunnen worden afgeleid, dan is het vervallen toen men er op terug kwam. Prof. Van Apeldoorn scheidt de regeling van de betaling. Op de betaling kwam men terug, zo schrijft hij; maar 'de regeling der traktementen is een zaak gebleven van de gemeenten'. Deze splitsing acht ik ongeoorloofd. Immers het gaat hier niet om de betaling en de regeling van het traktement in z'n geheel, maarenkeivan een gedeelte dat wij thans het rijkstraktement noemen. Het gedeelte, dat opkwam uit de geestelijke goederen, welke nationaal verklaard werden. Daarvoor zijn betaling en regeling onafscheidelijk. Zodra de betaling ophield, zou er niets meer te regelen geweest zijn. Toen de betaling doorging, bleef ook de regeling bij de overheid. De gemeenten hebben over het bedrag der rijkstraktementen niets te zeggen en vragen nederig handopening bij vacatures. De vraag is wie zeggenschap heeft over het totaal van het predikantstraktement en die bevoegdheid heeft de staat in 1798 aan niemand gelegateerd.