Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 400–402

Weergave

56. Kerkorde en beroep op de Schrift – IV

IV1

Prof. Brouwer heeft in het vorig nummer2 onze discussie over bovenstaand onderwerp voortgezet. Ik heb bij lezing van zijn artikel de indruk gekregen dat hij aan mijn argumenten niet volkomen recht laat wedervaren, maar er min of meer langsheen gaat. Ik bedoel niet dat hij dit opzettelijk gedaan zou hebben. Het is een kwestie van 'Einstellung', die het hem moeilijk maakt een opvatting te laten gelden die samenhangt met een gezichtspunt dat heel anders ligt dan het zijne. Soms lijkt het alsof hij zelfs moeite heeft dat andere helemaal in ernst te nemen.

Zo had ik in mijn vorig artikel een onderscheiding gemaakt tussen de wetenschappelijke en de wereldhistorische waarde van Calvijns exegese. Daarin had ik de portee van mijn artikel op formule gebracht. En op die hoofdgedachte van mijn stuk is mijn geachte bestrijder - ik durf wel zeggen - met geen enkel woord ingegaan. Hij gaat er telkens langs, maar nooit er op in. Zo komt het dat hij steeds conclusies uit mijn beweringen trekt die ik absoluut niet kan onderschrijven. Ik wil er enkele aanwijzen. Zo leidt prof . Brouwer uit het feit dat ik zijn onderzoek naar de Kerkorganisatie der eerste Eeuw prijs als zeer knap werk, maar bezwaar maak tegen zijn toepassingen die hij in de titel samenvat met het en wij - ik zeg daaruit leidt hij af dat ik zou toegeven dat wij onze eigen weg volgen, afgezien van de eerste eeuw. Ik bedoelde echter juist het omgekeerde. Wat mijn bestrijder mij hier toeschrijft is een conclusie uit zijn eigen premissen en niet uit de mijne. Ik beweerde dat er een wereldhistorische exegese van de bijbelse gegevens bestaat en dat de ontbinding daarvan andere eisen stelt dan vlijtig onderzoek van historische bronnen en vaardig gebruik van commentaren. Wie zulk een exegese in grote stijl als die van Calvijn wil ontbinden moet de macht hebben haar te vervullen.

Prof. Brouwer noemt dat in zijn artikel: dogmatische bezwaren. Goed, laat men ze zo noemen als men wil. Maar deze dogmatiek inzake de kerk is geen liefhebberij van de reformatoren geweest. Ze heeft haar wortelen in de Schrift, zoals de hele dogmatiek. En als prof. Brouwer uit dat dogmatische afleidt dat dit dus niet schriftuurlijk is, dan zit daar weer een opvatting van de verhouding van Schrift en dogmatiek achter, die niet van mij maar van hem zelf is.

Precies zo staat het, als hij de 'mystische instincten' waarover ik sprak gelijkstelt met de 'historische argumenten', door hem genoemd. De mystische overwegingen waarop ik het oog had zijn iets heel anders dan historische argumenten. Ze hebben iets in zich van wat Jezus zegt: 'Van de ouden is gezegd - maar ik zeg u'. Harnack gebruikt historische argumenten; Batiffol weer andere.3 Hier gaat prof. Brouwer weer, voor zover ik het zie, met geen enkel woord in op een hoofdgedachte van mijn stuk. Ik heb duidelijk gezegd wat ik met die mystiek bedoel toen ik schreef dat de Una Sancta hier meespreekt, het begin en het einde, het oer-christendom en de hemelse kerk. Ik begrijp niet hoe Brouwer een exegese onder zulke invloeden kan verwarren met historische argumenten. Over de hele lijn komt hij uit zijn eigen gedachtengang te weinig uit om werkelijk contact te krijgen met wat ik schreef .

Iemand als Newman verstond deze dingen wel. In zijn Essay on the Development of Christian Doctrine4 zegt hij dat de methode waarmee de protestanten hun kerkorde uit de Schrift afleiden even subtiel is als die van de roomsen en dat ze handelen op grond van leerstellingen die even weinig uitgesproken zijn en van redenen die in vroeger tijden even weinig geanalyseerd zijn als dat bij hun tegenstanders het geval is. En wat Newman daarmee bedoelt zegt hij op dezelfde bladzij heel duidelijk: "Deze leerstellingen en gebruiken, ze mogen dan waar en goed zijn of niet, zijn zeer zeker gewonnen, niet door een bloot exegetiseren en argumenteren op woorden en zinnen die men zwart op wit voor ogen heeft, maar door de onbewuste groei van ideeën die hun vaste plaats hebben in de geest."a

Newman had vroeger, toen hij nog meer voor de protestanten voelde, daarover in warmere bewoordingen geschreven.5 Maar in zijn laatste hoofdwerk, zijn Grammar of Assent, toen hij heel anders over hen dacht, heeft hij die passage toch weer afgeschreven om zijn religieuze kennisleer te verduidelijken. "Het komt er niet op aan" schreef hij dan, "of (de eerste protestanten) al of niet slechts bij toeval tot een juiste conclusie kwamen op premissen die uit een oogpunt van logica vals waren. Zij hadden geen tijd voor theorieën van welke aard ook; en die uit hun handen te verlangen verraadt onkunde omtrent de menselijke natuur en omtrent de manier waarop in een mensenleven waarheid gesmeed wordt. Gezond verstand, toeval, morele waarneming, genie, de grote ontdekkers van beginselen, redeneren geen van alle. Zij hebben geen argumenten, geen gronden; zij zien de waarheid maar zij weten niet hoe ze die zien; en als ze die ooit zoeken te bewijzen, is dat voor hen niet meer proefondervindelijk dan wanneer ze een weg moesten zoeken naar een verre berg die ze met de ogen zien; en waarbij ze verstrikt, verwond en misschien ondersteboven raken bij de bovenmatige inspanning ... Het volksgeweten in de zestiende eeuw zag waarschijnlijk de bijbel als het Woord Gods zoals niets anders zijn Woord is; en dat door de macht van een sterk besef, een soort moreel instinct of door een gelukkig vermoeden."b

Prof. Brouwer en de verdere lezers mogen mij dit lange citaat vergeven. Het bewijst dat deze kardinaal het wereldhistorische in de exegese van Luther en Calvijn wel verstond. Wanneer hij ze beschrijft als een gevolgtrekkend besef (illative sense), - volgens de latere kardinaal ook valse gevolgtrekking - dan eert die kardinaal ze toch ook nog door ze in rang gelijk te stellen met die van zijn kerk. Ook wanneer men van mening is dat er groot verschil is tussen Newmans 'illative sense' en de religieuze kenleer der reformatoren, dan zal men daarvan toch gaarne akte nemen.

Intussen blijft dan wederzijds de overtuiging dat de één een ware, de ander een valse gevolgtrekking maakte. Op dit niveau van kerkelijk en dogmatisch besef is er geen plaats voor de mening dat de afleidingen uit de bijbel allebei juist zouden zijn. Dat kan misschien op het historisch-kritische plan, maar hier niet meer.

Voetnoten

  1. a

    2e dr., p. 97.↩

  2. b

    Grammar of Assent, 8e dr., p. 380.↩

Eindnoten

  1. 1

    KO. 6 (oktober 1937) nr. 6.↩

  2. 2

    In het vorige nummer te weten van september reageerde A. M. B. met drie artikelen (zie n. 561.1); later nog met Waarom bij kerkelijke vraagstukken een beroep op de bijbel niets kan betekenen (KO. 6 (februari 1938) nr. 10).↩

  3. 3

    Voor Harnack zie n. 56II.7. Voor Batiffol zie n. 56II. 10; 55.37; 55.53. Voor de schriftuurlijke associaties vgl. de perikoop Mt. 5 : 17 vv.↩

  4. 4

    J. H. Newman, An Essay on the Development of Christian Doctrine, Londen 18451, 18782.

    " ... een tot in het oneindige gedifferentieerde en geschaduwde theorie om zich rekenschap te geven van de stilzwijgende lessen der historie en van de werkelijkheid der kerk, die daarachter school." Aldus N. in het in noot 5 genoemde artikel p. 191.↩

  5. 5

    Zie An Essay in Aid of a Grammar of Assent, ed. Longmans, Londen 19068, p. 380. De Reformatie heeft de bijbel als Gods Woord aangenomen 'by an act of the illative sense'. Hij corrigeert dan weer de Reformatie door er aan toe te voegen 'the illative sense, acting on mistaken elements of thought'. Vgl. dr. C. J. de Vogel, Newman's gedachte over de rechtvaardiging, Wageningen 1939, p. 423 noot 1. Zie VW., dl. 8, p. 475 noot 111. - In zijn studie Newman en de geschiedenis in de bundel voor W. J. Aalders, bij zijn aftreden als hoogleraar hem aangeboden, getiteld Geschiedenis, een bundel studies over de zin der geschiedenis, Assen 1944, p. 184-199, geeft N. een typering van beide essays van Newman in hun onderlinge samenhang en completering. De theorie der ervaring in de Grammar of Assent en de hypothese voor de geschiedenis in de Essay on the Development lichten elkaar toe, in het voetspoor van de analogieleer van de Anglicaan Butler en van de rooms-katholieke natuurlijke theologie, maar in een geheel eigen wending, gericht op de aansluiting bij de oude kerk en de Heilige Schrift. Voor Butler, zie VW., dl. 3, p. 291.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 56. Kerkorde en beroep op de Schrift – IIIInhoud57. Gewijzigde leertucht →