80. Zo ver gaat dit niet!1
Collega Visser uit Apeldoorn schreef in nummer 5 van dit blad2 een artikeltje, waarin artikel 40 van ordinantie 133 zo wordt opgevat, dat emeritaatspredikanten hun bevoegdheden, bedoeld in art. 284 van dezelfde ordinantie, op hun zeventigste jaar zouden verliezen. Deze lezing van art. 40 was ik enige tijd geleden ook bij een andere collega tegengekomen.
Nu uit het stuk van Visser niet blijkt, dat men hem op de classicale vergadering van Arnhem, waarop hij zijn ontdekking deed, heeft gecorrigeerd en nu de redactie van dit Orgaan dat eveneens naliet, begin ik te vrezen, dat bedoelde lezing van het bewuste artikel in brede kring tot misverstand aanleiding geeft.
De artikelen 35-41 van ordinantie 13 hebben enkel betrekking op de Bijstand in het pastoraat. Wie daarin kunnen fungeren, worden in artikel 355 opgenoemd. De bevoegdheden van deze functionarissen zijn echter heel verschillend. Voor ieder van hen worden nu in de op artikel 35 volgende artikelen die bevoegdheden afzonderlijk omschreven. In artikel 40 gebeurt dat ten opzichte van de emeriti, die aan het pastoraat bijstand verlenen. Zij mogen in die functie alles doen, waartoe zij in artikel 28 door de kerk gerechtigd zijn. Mits niet langer dan tot hun zeventigste jaar.
Dat wil dus niet zeggen, dat zij dan hun bevoegdheden uit art. 28 zouden verliezen, het betekent alleen maar, dat zij die na hun zeventigste jaar niet meer mogen uitoefenen in de functie van de bijstand, bedoeld in art. 35-41.
De bevoegdheden van de emeritus - zonder meer - kunnen naar art. 28, 26 slechts verloren gaan, als het breed moderamen ener Provinciale Kerkvergadering hun die ontneemt. Dat moet geschieden onder opgave van redenen. En dat zullen natuurlijk ernstige redenen moeten zijn.
Deze bevoegdheden kunnen voor de emeritus evenmin verloren gaan op grond van ordinantie 1, art. 16, 4, waarin bepaald wordt, dat onbezoldigde ambten, bedieningen of functies met het zeventigste jaar eindigen. Immers de bevoegdheden van de emeritus worden - afgezien van een uitoefening in de bijstand in het pastoraat - slechts incidenteel gebruikt. Zij bekleden reglementair althans - geen ambt, bediening of functie meer qua emeritus.
Zelfs wanneer dit wel het geval was, zou de algemene bepaling van ordinantie 1, 16, 4 hen niet treffen. Immers in art. 15 zijn van die bepaling uitgezonderd die gevallen, waarvoor'bij kerkorde of ordinantie 'een afwijkende regeling is getroffen. Welnu, zulk een afwijkende regeling zou er, indien de bevoegdheden van de emeritus wèl onder art. 16, 4 vielen - wat niet het geval is - in ordinantie 13, 28 te vinden zijn.
In een artikel Terug naar het canonieke recht heb ik enige tijd geleden het Weekblad der Ned. Herv. Kerk onderscheid gemaakt tussen de canonieke en de burgerlijke bepalingen van ons kerkrecht. Ord. 13, 28 behoort kennelijk tot de canonieke. Deze bepalingen worden ook in de nieuwe kerkorde niet terzijde geschoven. De emeritus houdt levenslang de hier bedoelde bevoegdheden.
Uit anderen hoofde kan hij echter wèl vallen onder bepaalde groepen, voor wie de zeventigjarige leeftijd als eindpaal is voorgeschreven. Hij kan een bezoldigde functie bekleden, qua emeritus; bijv. als bijstand in het pastoraat. Dan treft ordinantie 13, 40 hem op zeventigjarige leeftijd. Of een bezoldigde functie als gewoon kerklid, bijvoorbeeld als lid van de één of andere kerkelijke commissie. Dan valt hij onder ordinantie 1, 16, 4. Tegen dat laatste ging mijn bovenbedoelde artikel in het Weekblad. Ik noemde dat een door de kerk op haar leden gepleegde roof.
Maar ten opzichte van de emeritus als zodanig gaat de kerk zover niet. Ord. 13, 28 eerbiedigt het canonieke recht, zelfs nog iets meer dan de oude reglementen. Slechts het leiden van ambtelijke vergaderingen is de emeritus ontzegd.7