Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 596–599

Weergave

82. Oudendag1

Dit is de naam van een pensioen, dat ons op 65-jarige leeftijd wordt toegelegd. Hij klinkt, met zijn vinnige naamvals-n in het midden, als het klikken van de klink van een boei, die iemand wordt omgeworpen. Ik heb daaraan enkele boze herinneringen. Zo ongeveer op genoemde leeftijd, omstreeks 1936, zat ik bij een diaken en diens vader, die van mijn ouderdom was. Opeens zei de diaken, zonder innerlijke noodzaak, maar uit pure overmoed: "Zoals vader en dominee, dan komt de 'oudedag'." Het waren juist de jaren waarin ik mijn dogmatiek, mijn kerkgeschiedenis en mijn liturgie schreef.

Het maakt groot verschil of God iemand begraaft of een diaken. God geeft hem de tijd. Hij mag drie grote, vierkante tijdsblokken op elkaar stapelen, elk van veertig jaren, zoals Mozes. Eindelijk, als hij met het derde bezig is en al opgeschoten is, dan begraaft God hem. De diaken echter overvalt iemand in het midden van zijn dagen, ongeveer op de helft van de Mozaïsche tijd, vier jaar vóór het bereiken van de gemiddelde levensduur, vlak na het zgn. moordjaar, als de Boze een greep gedaan heeft in Gods kinderen en God zijn vriendelijk aangezicht ten tweeden male vrolijkheid en licht laat verspreiden.2 Dan rekent deze kerkelijke figuur alles wat er volgt voor 'oudendag'. De rest wordt dan verder op een bureau afgewerkt.

De grandioze blokkenrekening is in onze reglementen op de pensioenen geleidelijk in onbruik geraakt. Dat heeft merkwaardige gevolgen. Het vroegere emeritaatspensioen is in de huidige Generale regeling geheel geliquideerd; daarin komt uitsluitend het oudendagspensioen voor.a Wij worden niet meer gehonoreerd omdat wij veertig dienstjaren volbracht hebben. Het is zelfs verboden om er meer dan zesendertig in rekening te brengen.b Met het Mozaïsche getal 40 heeft het kerkelijk diaconaat volledig afgedaan. Het volgend jaar komen, meen ik, het laatst veertigers boven 65 aan de beurt. Wij worden voortaan gepensioneerd omdat wij een zekere leeftijd bereikt hebben, die hoe langer hoe meer achter ligt bij de gemiddelde leeftijd. Dan gaat het om de jaren en niet meer om de dienstjaren. Wij zijn dan geen emeriti of benemeriti de ecclesia; geen uitgedienden, maar oudgedienden. Ons pensioen is geen verworven loon, maar een ondersteuning à la Drees.3

Het merkwaardige is, dat wij alleen nog van de staat emeritaatspensioen genieten. Daar bestaat de 40 jaren rekening nog. Het 'oudendagspensioen' is daar een concessie aan de kerk. Het heet ook nog emeritaatspensioen. Van Alphen4 geeft dan ook bij het Rijk als algemene regel, dat na volbrachte 40-jarige dienst en na verkregen eervol emeritaat een rijksemeritaatspensioen wordt verleend.c

Bij de kerk is het juist andersom. Daar bestaat ook nog wel emeritaat wegens volbrachte diensttijd van veertig jaren.d Dat zijn de gevallen waarin de dominee de kerk te vlug af is. Maar ook dan heet het pensioen thans naar de oudendag.e Er bestaat voor de emeritus maar één soort pensioen.f Wie op 63-jarige leeftijd emeritus wordt, wordt op het kerkelijk bureau dan maar tot 65-jarige gepromoveerd. De kerk wil niet meer wegens dienstjaren, maar alleen naar jaren pensioneren. Alles moet naar de oudendag heten. Daardoor wordt het pastoraat van boven af ingedeukt in plaats van te worden opgericht, in ere of dubbele ere, tot blokkenbouwer.

De toespitsing der reglementen in deze richting heeft geleidelijk plaatsgehad. In 19265 maakte het Pensioenfonds onderscheid tussen emeritaat en oudendag.g Het eerste betrof de verplichte deelnemers. Vereiste voor het pensioen was emeritaat bij 40 dienstjaren. 'Oudendag' was voor de vrijwillige deelnemers; enkele groepen van predikanten, o.a. degenen die bij de invoering van het fonds ouder dan 55 jaar waren; en ook kandidaten tot de heilige dienst, die hulpprediker waren. Hier, op dit zijspoor, waar de kerk vrij spel had, werd de nieuwe idee ingevoerd. En dit spoor was van meet af bestemd om het hoofdspoor te worden, blijkens artikel 19, waarin stond, dat ook verplichte deelnemers, op of na hun 65e jaar, steeds recht konden krijgen op oudendagspensioen, als ze gelijktijdig hun ambt neerlegden. En in die richting werd verder de kerkelijke drang aangewend, moreel en reglementair.

Het laatste gebeurde in het Reglement op de predikantsplaatsen van 1943, als het aanvragen van emeritaat op 65-jarige leeftijd verplicht wordt gesteld.h Degenen die nog geen 40 dienstjaren hebben, mogen dan echter, zolang ze althans geen 70 jaar zijn, hun blok nog afbouwen.i In het Reglement op de pensioenen van 1946, dat onder vigeur van deze bepalingen werd aangenomen, heet het niettemin nog emeritaats-pensioen, ook als het op de 'oudendag' genomen wordt.j Oudendags-pensioen heet het alleen voor de zijspoor-mensen, die geen dienstdoend predikant zijn.k Nu de kerk de predikanten op dit spoor duwt, durft zij aan die daad toch de naam nog niet te geven. Men geeft het pensioen naar de jaren, maar men noemt het nog naar de dienstjaren. - Ook de kerkorde onderscheidt emeritaat wegens dienst - en wegens leeftijd. Maar zij noemt het pensioen beide malen naar de dienst en rept niet van de oudendag.l

Pas in de Generale regeling raakt dit koekoeksei in het nest der kerk voldragen en heten beide, zowel dat wegens de dienst als dat wegens de jaren, 'oudendagspensioen'.m⚑ Dat sommigen op 65-jarige leeftijd of daarvoor hun diensttijd reeds hebben vervuld, wordt voor iets bijkomstigs gehouden. De belangstelling van de kerkelijke canon gaat thans niet meer naar het emeritaat, maar naar de oudendag.

Ik sprak in het begin van deze meditatie van een boze herinnering, die voor mij aan het woord 'oudendag' verbonden is. Er is nog een tweede, die ik wil vastleggen. In mijn jongste jaren droeg een kleermaker, waarmee ik toen te doen had, die naam. - Toen ik bij Jörg, te Utrecht, mijn eerste ⚑geklede pak liet aanmeten, verzekerde deze mij, dat het vak boven de Kromme Rijn nog in de kinderschoenen stond. Ik kon hem dit toestemmen uit bittere ervaring. Gezegde Oudendag gebruikte wel de maat, maar zonder mathesis, geheel onexact. Zijn meten was een soort fantasie. Het scheen meer bedoeld om een zo groot mogelijk aantal ellen in zo ruim mogelijke plooien in een pak te verwerken. Nooit werd zoveel ouderdom om zo weinig jaren gevouwen.

Hetzelfde zou ik willen zeggen van de Generale regeling voor de predikantspensioenen.6

Voetnoten

  1. a

    G.R., art. l.*↩

  2. b

    7.6.↩

  3. c

    P. 541.↩

  4. d

    Kerkorde, ord. 13, art. 27; G.R., art. 7.↩

  5. e

    G.R., art. 7, 1.↩

  6. f

    G.R., art. la.↩

  7. g

    Art. 17.↩

  8. h

    Art. 48.↩

  9. i

    Additionele artikelen IX.↩

  10. j

    Art. 45.↩

  11. k

    Art. 47.↩

  12. l

    Ord. 13, art. 26 en 27.↩

  13. m

    G.R., art. 1 en 7.↩

Eindnoten

  1. 1

    OBNP. 31 (juli/aug. 1954) nr. 718. Nog eenmaal springt N. (hij is reeds ernstig ziek) in de bres voor zijn mede-emeriti. In wezen gaat het uiteraard niet om die irritante term loudendag', maar om de ruimte voor de prediking, het 'kerkelijk' denken. Vgl. voor de inhoud van dit art. ook nr. 79.↩

  2. 2

    Vgl. Ps. 97 : 7 (berijming-1773). in brieven aan R. C. G. Troelstra (dd. 12.6 en 31.7.1954), waarin hij reflecteert over zijn eigen 'conditie' ("allereerst ... exponent van het leven; daarna pas als een ontbinding") en die van de mens in het wereldgebeuren van die dagen, vermeldt N. dat dit artikel 'Oudendag' juist op zijn 83e verjaardag verscheen.↩

  3. 3

    Willem Drees (geb. 1886), politicus, kamerlid SDAP. (later PvdA.), minister Sociale Zaken en premier, bracht in 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand (AOW.), waarbij aan iedere Nederlander op 65-jarige leeftijd een staatspensioen werd uitgekeerd.↩

  4. 4

    Kerkelijk Handboek, waarin gegevens hoofdzakelijk m.b.t. standplaatsen van predikanten.↩

  5. 5

    Zie n. 78.3.↩

  6. 6

    Als te gedetailleerd-technisch zijn 2 korte OBNP.-art. niet opgenomen, te weten Een spaarpot en Nog eens die spaarpot 31 (juli/aug. en sept. 1953), nrs. 7/8 en 9.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 81. De senectuteInhoud83. Liquidatie →