Hebreeën 13 : 12-14
Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
Onze tekstwoorden moeten vaak dienen om de kortheid en onzekerheid van het leven uit te drukken. Ze worden dan gebruikt om een gevoel van weemoed uit te drukken, een met moeite afscheid nemen van het tijdelijke leven, of de onsterfelijkheid.
De Hebreeën-brief bedoelt het echter anders. Er is geen sprake van een half-onwillige overgang naar een andere bestaanswijze, een lijdelijke onsterfelijkheid van de ziel, maar van een offerande, die Gode wordt opgedragen, een zichzelf aan God geven. Er is sprake van onze christelijke godsdienst, die wij uit te oefenen hebben: de offerande des lofs die wij Gode hebben toe te brengen (Hebr. 13 : 15). Dat is iets heel anders dan: Ik kan hier niet altijd blijven, of: Wij moeten berusten, of: Een mens moet zich schikken. Als we dat laatste zeggen, is God een onweerstaanbare macht, een ijzeren lot, een noodlot. 'Wij moeten een keer dit lieve leven loslaten.'
Zoals de Hebreeën-brief het bedoelt, is God degene die de stad verlaat om een andere te zoeken. Hij draagt het lot en Hij is zelf niet het lot. Hij is uw partij. Hij moet verlaten en wordt verlaten. Hij wordt buiten de legerplaats geleid als de zondebok en draagt de smaadheid buiten de poort der stad. Hij dwingt ons niet om het prettige leven te verlaten, maar Hij draagt schande en dood om ons het eeuwige leven te schenken. Hij offert zich op om ons te redden. Dat is heel iets anders.
Laten wij nu zien wat het zeggen wil als we hier een blijvende stad willen hebben. Dat is niet een natuurlijke gehechtheid aan het leven. Het is veel erger. Het is Jezus de smaadheid laten dragen, zelf de zonde dagelijks meerder maken. Het is Hem dwingen buiten de poort te gaan en dan zelf te willen blijven, midden in de zonde. Daarom zegt de Schrift: Wij hebben hier geen blijvende stad.
Niet: tijd - eeuwigheid, maar: zonde - gerechtigheid. Wij hebben hier geen blijvende stad, betekent: Wij mogen hier niet blijven. Wij zoeken de toekomende, betekent: Wij zullen ons bij Jezus voegen. Wij zullen tot Hem uitgaan, zijn smaadheid dragende. Wij zullen deelnemen aan de christelijke offerande, de offeranden Gods. Wij zullen onszelf stellen tot offeranden des lofs. Hostie Gods. Dat is de toekomende stad die wij zoeken.
Wij zeggen soms dat wij van het toekomende leven weinig weten. Het onbekende. Zich schikken! De bleke eeuwigheid tegenover de kleurige tijd. Zo staat het in de bijbel niet. Het Lam Gods draagt de schande uit de aardse stad, op Golgotha. Aan Hem zien we de toekomende stad. Weten we er niets van? Laten we zien in 't Evangelie. Wat zien we van deze wereld in het Evangelie? Blinden, kreupelen, melaatsen, doven, doden. Ze lopen op Jezus aan en bij Hem is licht, kracht, reinheid, leven. Al deze mensen gaan buiten de legerplaats. Ze dragen zijn smaadheid, die eigenlijk de hunne is. Ze laten zich niet terughouden. Voor hen is Hij de helder stralende morgenster uit het Duitse kerklied:
"Hoe helder straalt de morgenster genade en waarheid rondom ver van Hem, die lang zou komen. Gij, Davids Zoon van Jakobs bloed, mijn Koning en mijn Bruigom zoet hebt 't hart mij ingenomen."
"Gij, Edelsteen en Koningskroon! Gij, Zoon van God en Mensenzoon, Gij, hooggeboren Koning!"
"Mijn Jezus komt in heerlijkheid, Hij, onze Heer der eeuwigheid, de eeuwig Ongekende.
Hij zal ons, na de pelgrimsreis, ontvangen in het Paradijs. Hij, d' Aanvang en het Ende."
Dat zijn de glanzen en klanken van het Evangelie. Die lokken de mensen uit de stad die niet blijft. Offeranden des lofs. Twee steden. De overgang van de ene in de andere. De liefdedaad.