Obadja 21
En er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn.
De kleine profetie van Obadja is tegen Edom gericht. Edom tegenover Israël; Ezau tegenover Jakob. Ezau en Jakob zijn tweelingbroeders. Samen zijn ze opgegroeid in de aartsvaderlijke tent. Ze hadden beiden deel aan de beloften van God aan Abraham, de vader der gelovigen. En toch is Jakob een held Gods geworden: Israël. En Ezau vertegenwoordigt in de profetie de heidenwereld. Hoe is dat mogelijk, zonen van één huis? Ieder mens heeft een tweelingbroeder. Hij is z'n eigen broer. Beiden hebben ze dezelfde vader. En toch kan slechts een van beiden God Vader noemen. De christen en de heiden zijn uitgegaan uit hetzelfde paradijs, maar de een zal met Jezus in het paradijs zijn (vgl. Lk. 23: 43), de ander zal zoeken en tasten naar God (vgl. Hand. 17 : 27). Ze zijn beiden uit de ark gegaan na de grote watervloed, maar voor de een is het de doop der wedergeboorte, voor de ander een vloek: een knecht der knechten zij hij zijn broeders (Gen. 9 : 25). Beiden hebben bij Babels toren de verwarring der talen beleefd, maar de christen beleeft Pinksteren en een iegelijk van hen hoort in z'n eigen taal de grote werken Gods verkondigen (Hand. 2: 11). Beiden kennen het beloofde land, maar de een zal het erfelijk bezitten, de ander wordt uitgeroeid uit zijn landpale (vgl. Ob. 7-10).
Wij kunnen nog verder gaan: de heiden is de eerstgeborene. Ezau is de oudste der tweelingen. Hij heeft het eerstgeboorterecht. Z'n vader wil hem ook zegenen als hij gaat sterven. Maar God zegt: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat (Mal. 1 : 2 v.). De heiden is de eerstgeborene. En de eerstgeborene is de heiden. Eerst het natuurlijke, zegt Paulus; daarna het geestelijke (1 Kor. 15 :46). Wie heeft de oudste brieven in ons leven? Wie de grootste rechten? Het is het natuurlijke, het geschapene. Het is sterk en ruig als Ezau. Het is gesteld op de natuur en het woud, de zon, de wind. De natuur heeft haar rechten, en neemt haar rechten. En ieder betaalt graag de tol aan de natuur. De natuur is ongebroken. Frank en vrij en onbeschaamd als Ezau. En het geestelijke is gebroken en zwak. Het woont in tenten en wordt door moeders opgekweekt binnen de vier muren. Het schijnt verachtelijk en geveinsd en achterbaks. Het ligt bloot voor de beschuldiging niet eerlijk te zijn. Jakob betekent 'bedrieger'. Zó lijkt het geestelijke in de wereld tegenover Ezau, het rode Edom, de schotel linzenmoes van het natuurlijke leven (vgl. Gen. 25 : 30).
Dat klinkt vreemd in de wereld: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. En toch, als die twee onder het kruis staan, waar Jezus uitroept: Mij dorst (Joh. 19: 28), en: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)?, krijgt God dan niet gelijk? Durft iemand dan nog te kiezen voor de natuur tegen de geest? Voor Ezau tegen Jakob? Durft iemand daar nog hardop te spreken van de ronde natuurlijkheid van het mensenleven, de ongebroken kracht, de rechten van het bloed, de tempel van ongekorven hout?
Ezau heeft z'n eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel linzenmoes. Ieder kan dat weten als hij merkt, dat hij z'n eigen tweelingbroeder is. Ezau heeft geen toekomst. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2 : 14).
En er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn. Israël is het volk dat geholpen moet worden. Het is erfgenaam van een zegen. Het staat in Gods testament, het Oude Testament. Maar het is tevens het volk, dat Heilanden nodig heeft. Het is altijd in de druk. In Egypte; in Kanaän onder de richteren. Onder z'n koningen gaat het heel spoedig te gronde. Maar het staat in Gods testament. - Ezau leeft anders, op de bergen van Edom. Het heeft geen profeten. Maar het leeft naar Isaäks zegen: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn (Gen. 27 : 39). Dan heeft men geen Heilanden nodig, zo tussen de vettigheden der aarde en de dauw des hemels. Hoe kunnen daar de kruiswoorden verstaan worden?
Jakob weet wat het is, een steen voor hoofdkussen te hebben, en toch de hemelladder te zien met Heilanden daarop, helpers (Gen. 28: 11 v.). Edom helpt mee als Jeruzalem veroverd wordt (Ob. 11). Psalm 137 zingt de haat van de Jood tegen de broeder uit, die een lust heeft aan z'n ondergang (Ps. 137 : 7). Hier hebben we ook zo'n toon. Er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn. Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.
De gelovige gemeente is de verliezer in de wereld, maar staat in Gods testament, ook in het Nieuwe Testament. Het is en blijft nodig dat er helpers komen. Niet in de eerste plaats om ons aan een schotel linzenmoes te helpen. Daarvoor verkoopt de heiden, onze tweelingbroeder, z'n eerstgeboorterecht. Maar om de overwinning te bezorgen aan Jakob, de zwakke in ons, de gelovige, zo vaak ongelovig, het achterlijke kind op deze wereld in moeders tent, dat met de wereld niet mee kan.