Gods poorten
Psalm 24 : 4 (berijmd)2
Bij deze psalm heb ik een oude schuld staan, die ik nu wil afdragen. Soms slaat plots het uur, dat men zijn dank kan betalen. - Het was op een der eerste dagen van april 1877, dat ik aan de hand van een zes jaar oudere zuster, die nu reeds lang met Gods engelen zijn aangezicht aanschouwt, één mijner eerste schoolgangen maakte. Lezen kon ik nog niet en toch moest ik die morgen het vers van buiten kennen. Toen voegde de psalm, terwijl wij op de landweg voortgingen, zich bij ons. Hij wandelde als derde met ons mee, zoals Jezus met de Emmaüsgangers. Hij woei om ons heen, zoals de Heilige Geest om de discipelen op het Pinksterfeest. De woorden wisselden van mond tot mond, weg en weder, weer en weer, tot de psalm inwendig in mij woonde en mijn memorie en verstand het ritme hadden overgenomen, waarin hij zelf, bij het drijven van de Geest, was geboren. Daarna gingen wij zwijgend ter schole. - De psalm maakte echter niet alleen inwendig woningen in de harten; hij had ook andere eigen woningen in de dingen. Hij woonde en wandelde en woei bijzonderlijk aan die landweg, als God in het paradijs op de middag. Als in die zelfde april-maand op de zaterdag de namiddagschool en de avondschool stilstonden en wij samen reeds op de middag huiswaarts keerden; als wij dan aan de rode landweg kwamen tussen de groene weiden, dan verhoogden de poorten de boog, en wij gingen er onder door met een stille, blijde verbazing. Dan werd het zonlicht tot een verheffing (Ps. 4 : 7) en tot een opening naar het rijk der klare waarheid. Dan beitelde zich de leeuwerik in het blauw des hemels zijn trap, klimmende en het 'lied der trappen'3 zingende tot de top. En dan rinkelden vandaar de heldere kraaltjes van het geluid al stuitend naar beneden tot voor onze voeten. Door deze poorten en langs deze toon- en hemelladders gingen wij, Gods engel en ik, 'verrukt ten reije'.4
De laatste verzen van Psalm 24 vormen een zeer oud lied dat, zoals mijn latere Leidse meesters mij leerden,5 misschien wel door de Israëlieten bij de intocht van de ark gezongen is. Het is een zang van Gods eigen opgang en ingang in deze wereld. En het is daarmee tevens een adventslied. Het hoort thuis bij de rode lijdensweg, die de Zone Gods zich heeft uitgekozen door de groene weiden van Gods goede schepping. Hij heeft zich wel zeer moeten vernederen, ja vernietigen om in dat zondige leven in te gaan. De psalm klinkt als adventslied zo paradox, zo tegen de schijnbaar oorspronkelijke zin en tegen onze natuurlijke toeëigening in! Jezus zal geboren worden in een stal achter een herberg en geen tempelpoort, laat staan een hemelpoort binnengaan. Hij zal verlaten de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had. Laat de engelenzang ons de nederige geboorte, de zelfvernietiging niet doen vergeten. Ook op deze lijdensweg wandelt de psalm; ook hier waait de Geest; ook deze weg is met engelen bezet. Maar het is alles anders.
Doch het is nog veel meer waar. Wij zouden graag door de zonnepoort ten hemel binnengaan. De Engelse dichter Wordsworth heeft er van gezongen:
"Geboort' is slechts een slaap en een vergeten;
De ziel die binnen is, des levens ster,
Heeft eens van ander schoon geweten
Gekomen van heel ver.
Niet zonder ied're herinnering,
Niet in gehele zelfvernietiging.
Maar trekkend wolken glorie komen wij
Van God in blijde rei ."6
Dat is waar. Maar het is niet de laatste waarheid. Dan zouden wij met dezelfde dichter moeten bekennen, dat de aarde, als een voedster, met iets van moederlijkheid aan zich, alles doet om haar pleegkind het hemels paleis, vanwaar het kwam, te doen vergeten.
Jezus is door de staldeur binnengegaan; Hij heeft in de kribbe gelegen, het kruis verdragen, de schande veracht, opdat wij de glorie niet zouden vergeten, noch het schone, waarvan wij hebben geweten. Opdat wij Psalm 24 zouden kunnen blijven zingen en de wandel in de hemelen zouden blijven beoefenen.
Wanneer de psalm zich voor Christus heeft verdiept en in Hem meer waar is geworden, dan moet hij dat voor ons ook doen. Wij moeten wederom geboren worden. En bij die tweede geboorte wordt ons niet de herinnering als "s levens ster' meegegeven, maar de hoop. Niet Plato is onze leermeester, maar de Heilige Geest. En deze vraagt wel gehele zelfverloochening en zelfvernietiging, zodat wij nu niet meer leven, maar Christus in ons. Dan blijft de psalm in ons wonen, met ons wandelen en de Geest blijft om ons waaien. Wij moeten door de engten van schuldbelijdenis en berouw, door de diepten van leed en ellende gaan; de gebogen houding des gebeds en de kromming van het kruisdragen kennen. Dan wordt de psalm veel meer waar dan wij het in ons hart gevoelen. Dan zal hij niet alleen onze harten opwaarts heffen, maar ook buiten, in de dingen, zullen de poorten de boog verhogen.
Reeds onder het lijden doen zij dat. Het kruis is al een kleine verhoging van de aarde (Joh. 12 : 32). Jezus weigert er af te komen. En ieder die het christelijk kruisdragen kent, weet dat het is een getrokken worden. ⚑Maar de opstanding is het nog veel meer. Dan zullen ook de poorten van de dood en van het graf de boog verhogen. De ware Koning der ere, die daardoor inrijdt, is dezelfde, die voor ons in de doeken van het Evangelie gewonden is. En met Hem zullen ingaan, die zijn dood gelijkvormig worden (Fil. 3 : 10).
Er is geen 'ander evangelie',7 ook niet voor onze tijd. Psalm 24 is niet antiek, maar eerder modern. Hij is klassiek en past voor alle tijden. Het is de ware Internationale. Onze eeuw lijdt aan zelfverlaging, omdat zij de zelfverloochening, de zelfvernedering, de zelfvernietiging veracht. 'Verlagen wij onszelve niet' riep precies in het jaar 1900 de profetische getuige Gunning ons allen toe.8 Het 'gemene', waartegen hij zo fel kon toornen, dreigt de overhand te krijgen. Ons geslacht heeft de neiging, lichamelijk en geestelijk, letterlijk en figuurlijk, in holen te kruipen. Het verdraagt de zon en de waarheid niet meer. De zielen verschieten van kleur en gruwen van haar eigen vaalheid. Een oude christenheid gaat tot verwezing over. Een geestelijk rotspectrum verhoogt de boog onder ons.
"Verhoogt, o poorten! nu de boog,
⚑rijst, eeuw'ge deuren! rijst omhoog,
⚑opdat de Koning in moog' rijden!
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
't Is God, d'almachtig' Opperheer!
't Is God, geweldig in het strijden!"