133. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 26 september 1897
Lieve Oepke,
Hoewel ik niets bijzonders heb, zo wil ik toch weer even tot u praten. Met genoegen en heel veel belangstelling ontvangen wij steeds uw berichten aangaande uw gezondheid en aanvankelijke genezing. De uitgestelde hoop krenkt het hart, maar de begeerte die komt is een boom des levens,1 zegt de wijze spreukschrijver. Ook in uw geval doet het ons met gespannen verwachting de toekomst verbeiden Dat gij de mannen van het Réveil aantrekkelijke figuren vindt verblijdt mij. Wat De Clercq in het bijzonder betreft, desaangaande mag ik nog niet zeggen wat er op de bodem van mijn hart verscholen ligt, wat betreft het verleden, het heden en wat de toekomst baren zal. Er is altijd zoveel (zal ons hart niet zijn als een opengebroken stad zonder muur),2 waarover wij het stilzwijgen moeten bewaren tot tijd en wijle. Vele raadselen worden na verloop van dagen en jaren soms ontsluierd en zo niet, dan zal de eeuwigheid veel openbaren wat in deze tijd verborgen bleef. Gode te zwijgen is een genade, die in de weg van zelfverloochening moet geleerd worden te kunnen beoefenen, uw belangen naar lichaam en geest beide in het openbare en verborgene leven te stellen in de handen van die God, die in alles beschikt naar zijn vrijmachtige welbehagen, maar die ook tevens een God is, genadig en groot van goedertierenheid. Zie, het is zo iets groots, iets zo aantrekkelijks, iets begeerlijks, wanneer onze ziel verlangt naar de levende God. Zijt Gode bevolen, uw u liefhebbende vader
D.P. Noordmans.
P.S. Voor ditmaal zal ik het hierbij laten. D.V. later over een en ander. De hartelijke groeten van uw liefhebbende moeder, broeder en nicht. Is er geen brief op komst, dan verwachten wij ook weer een schrijven van u. Alles wel.
(AN)