144. P. Flieringa aan O. Noordmans
Scharnegoutum, 4 februari 1898
Beste vriend,
Met innige deelneming heb ik kennis genomen van uw schrijven,1 waaruit mij blijkt dat uw toestand op dit ogenblik niet vooruitgaande is. Ik kan mij zo goed voorstellen, dat dit u ontmoedigt en menige twijfelende vraag op uw lippen brengt. De weg toch die de Heer ook in dit opzicht met u houdt, is zo geheel in strijd met de wensen van vlees en bloed, en waar dat het geval is, daar kost het zulk een worsteling om werkelijk gewillig te volgen en ook datgene te ontvangen als een góéde gave, wat wij liefst verre zouden wensen. Toch deed het mij goed dit in uw brief te lezen: “toch geloof ik wel dat het die weg langs moet”, want, immers, ik mag van u verwachten, dat het uw dagelijkse worsteling is om te komen tot die vreedzame vrucht der gerechtigheid, die de Heer u ook uit deze beproeving bereiden wil. Geheel van ons zelf afzien en ons met àlles wat ons zelf betreft te stellen in Gods trouwe vaderhand, dat maakt ons zo kalm en rustig, dat geeft zulk een vrede aan het hart, dat sterkt onze moed, om te wachten tot zijn tijd gekomen is. Zie, dan behoeven wij er de moed niet in te houden, maar dan houdt hij er de moed in en daarin ligt voor ons de meest volkomen zekerheid. Wij lopen voortdurend groot gevaar om nog altijd iets bij onszelf te zoeken en dan laat de Heer ons weer zo duidelijk zien, dat zijn woord eeuwige waarheid is: “zonder mij kunt gij niets doen.”2 Het haasten zit ons zo in merg en been, vooral als het een onzer liefste wensen betreft, dat Hij ons telkens weer leiden moet in de school des nochtans om toch geduld te leren. Daardoor, mijn vriend, worden wij tevens zo licht onbillijk jegens onze God, want dan zien wij ondankbaar voorbij aan wat Hij ons in zijn liefde reeds schonk, want ons oog richt zich angstig starend op dat éne, wat zich nog altijd in de toekomst laat wachten. Werp dan àlle bekommeringen op de Heer,3 vooral ook uw twijfel, en Hij zàl het maken, bij Hem toch is het einde en de verwachting.4 De beloften door Hem ons geschonken zijn niet gegeven door een mens die liegen kan, maar door de waarachtige Getrouwe zelf. En in die worsteling, gij weet het, staat gij niet alleen; er wordt thuis veel voor u gebeden en ook ik blijf u dagelijks gedenken in mijn gebed; maar mogen wij zondige mensen u niet vergeten, met hoe oneindig meer liefde Hij u blijft gedenken, die ook voor u leed en stierf en overwon; doch zijn liefde is een reddende, die bij en boven alles het waarachtig heil van uw ziel op het oog heeft en die alleen weet, hoe dat bereikt worden kan. Wat ik u hier geschreven heb, was u zeker bekend, maar een herinnering aan het bekende geeft vaak het meest troost aan ons wankelmoedig hart. Indien uw omstandigheden het toelaten, schrijf dan nog eens, en mocht ik in uw vertrouwen delen, houdt dan hetgeen u bezwaart niet terug. Zover mij bekend is, is het bij u thuis alles wel, doch deze week heb ik nog niemand gesproken, daar ik de vorige week bij uw ouders geweest ben. Op dit ogenblik ben ik eenzaam en verlaten, want mijn vrouw vertrok vanmorgen naar Utrecht om morgen de verjaardag van haar vader te vieren. Zij blijft misschien tot donderdag. Wanneer gij kracht en lust hebt, zoek haar dan eens op. Ik had vanmorgen in Utrecht de verraste gezichten wel eens willen zien, want niemand wist van haar komst iets af. Moge zij met de familie aangename dagen doorbrengen, die een gewenste verfrissing zullen zijn bij al de arbeid die zij hier voortdurend te verrichten heeft. Met de beste wensen voor uw beterschap blijf ik na hartelijke groeten heilbiddend, uw zeer toegenegen vriend
P. Flieringa.
(AN)