189. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, [1905...]2
Amice,
Het is meer dan tijd om je eens hartelijk te danken voor je sympatiek schrijven3 en de mij zeer welkome foto van Piaam’s kerkje. Wat een notedop vergeleken met de grote gebouwen hier. Is het hier een opgewekt preken, ik gedenk ook menig genotvol uurtje in de kerkjes van Skuzum en Piaam. In Piaam preekte ik niet minder gaarne dan in Skuzum. In Piaam was het natuurlijk meer bezet en de akoestiek was daar m.i. zo goed. Een groot gehoor inspireert wel, maar het is geloof ik een zonde van de dominees om het getal zo te laten wegen. Als vijftig hongeren naar het Woord Gods, hebben ze even goed recht op onze volle toewijding, dan wanneer duizend of tweeduizend dat doen. Eén ziel die uit behoefte komt, is de inspanning onzer kracht wel waard. Wat doet God niet om één ziel als een brandhout uit het vuur te rukken. En het aantal is zo betrekkelijk. Skuzum heeft niet de naam een kerkse gemeente te zijn. Zwolle met haar stampvolle kerken wel, en toch is het procent kerkgangers in Skuzum en Piaam groter dan hier, ook van dat deel dat rechtzinnig wil heten. Ik denk ook gaarne aan mijn verjaardagen in Skuzum terug. Meestal kwamen Wesseldijk,4 Van der Schans5 en De Puy6 met hun zusters bij mij te eten met een paar familieleden uit IJlst, terwijl ’s avonds een twaalftal Skuzumers van hun belangstelling deed blijken. Meester Leijeman7 kwam met de kinderen in de studeerkamer zingen. Van meester Leijeman gesproken, ik heb nog eens aan Guittart8 geschreven om zijn invloed aan te wenden. Guittart komt mij voor meester Leijeman als een uitnemend persoon voor, een warm hart met een scherp verstand, ruime blik en groot waarderingsvermogen. Ik hoop zo, dat meester Leijeman voor eigen hart tot volle beslistheid komt. Terecht zegt ge, dat het milieu van de openbare onderwijzers niet geschikt is om mede te werken en dat het milieu van onze kerkse mensen voor zulk een natuur niet terstond aantrekkelijk is. Voor hem geldt ook, dat hij niet terstond de nieuwe wijn smakelijk vindt, maar de oude beter (of alleen goed) acht. Maar we hebben het Woord en Gods Geest is er ook nog. Wij wanhopen niet en ik denk dat hij te veel van Gods Woord heeft gehoord om het onder de prediking van Mees9 uit te houden. Het gaat me hier nog goed, al ontveins ik me niet dat ik mij onder het Friese volk meer thuis gevoel. Ik blijf tot nog toe een grote stroom mensen trekken, maar in hun hart zullen velen me te objectief vinden, niet gemoedelijk genoeg. Voor mijn bedoeling op kerkelijk gebied geloof ik niet dat het volkje hier vatbaar is. Het geestelijk karakter wordt zo weinig verstaan. De mensen van De Lind cs.10 die hier een klein groepje vormen en ’s woensdags laten preken en soms in de kerk met de hulp van ds. Krop,11 hebben bij de intrede reeds gevoeld, dat ze niets van mij te wachten hadden. Ik heb nooit tegen hen gepolemiseerd, maar ze blijven me vanzelf van het lijf. Als ik hoor wat dat soort mensen eigenlijk begeert, neen, dan moeten ze zich bij mijn prediking en bij elke gezonde gereformeerde prediking teleurgesteld vinden. Men vraagt zich af, waar blijft het evangelie? Met de collega’s kan ik het best vinden. Met Krop kan niemand het goed vinden. Ik heb persoonlijk geen kwestie, maar houd geen gemeenschap met hem. Als wij ’s avonds in de kerk dienst hebben, spreekt hij in zijn lokaal. Nogal dikwijls laat hij in zijn kerkbeurten Gereformeerde ‘broeders’ optreden, die hij als confessionalisten bestrijdt. Dezer dagen werd ik in de gelegenheid gesteld voor Van der Schans een krachtige aanbeveling te geven inzake Vriezenveen; Van Eyck12 is afgekeurd omdat hij kreupel is. Nu zijn ze naar Dippel.13 Ik hoop dat Van der Schans in aanmerking komt. Ik geloof dat hij in die, naar ik hoor, goede gemeente in deze strubbeltijd de rechte man zou zijn. Ge moet hem er niets van zeggen. Het is lang niet zeker of hij hoorders krijgt. Niet uit gebrek aan stof maar aan tijd eindig ik. Kom maar eens hier. Wil de kerkeraad s.v.p. van mij groeten. Ik blijf jegens Skuzum dankbaar gestemd. tt.
H. Visser.
(AN)