212. Oepke aan zijn moeder
Lunteren, 2 mei 1908
Lieve Moeder,
Het wordt tijd, dat ik eens iets van mij laat horen. Ik was goed op tijd voor de tram te Sneek, had goede aansluiting te Heerenveen en kwam ruim elf uur aan te Utrecht. Daar heb ik met veel genoegen mijn tijd doorgebracht, allerlei kennissen gesproken, flinke vergaderingen meegemaakt en goed gelogeerd. Vrijdagavond heb ik de trein naar Lunteren genomen. Daar vond ik alles gezond behalve dat Trijntje wat hoofdpijn had. Thans is het echter weer geheel in orde. De meid troont vandaag en morgen in de keuken. Waarschijnlijk zal ik zondagmiddag een beurt vervullen. Lambers en ik zijn gistermiddag naar mevr. H. geweest. Gisteravond hebben Sjoerdje en ik een eindje in het Fischlerwoud gewandeld. Ik logeer hier op een grote kamer, vol prachtige schilderijen, waar gewoonlijk de meisjes slapen. Bernard1 kwam de eerste morgen bij mij en zei niets anders dan mijnheer en dominee. Gerarda is druk met examenstudie. Het is goed te merken dat de familie hier reeds kleiner wordt, vooral nu Gerrit vertrokken is en Betje er niet is. Mijnheer Bijsterveld2 en ds. Oberman3 zijn beiden tot een maand gevangenisstraf veroordeeld wegens valse handtekening. Zo is er allerlei nieuws als men eens op reis gaat. Van Pier ontving ik zo pas een brief dat ’t met moeder goed gaat. Dit verblijdt mij zeer. ’k Kreeg vanmorgen ook bericht uit Drongelen.4 Ik heb Jakob en Pier op dinsdag te Scharnegoutum verzocht. Misschien kom ik maandag avond of dinsdagmiddag. Vooral de groeten van de familie hier ook aan Betje. Ontvangt met Betje mijn hartelijke groeten, uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)