228. Moeder aan Oepke
Scharnegoutum, 26 februari 1909
Geliefde Oepke,
De brief van Pier heeft u zeker ontvangen, waar ik in verzocht had u te schrijven dat u maar spoedig weer eens moest overkomen. Nu dacht ik dat u van plan was aanstaande maandag te komen. Dit had ik ook gaarne gewild, maar nu de werkster a.s. dinsdag komen zal om de kamer schoon te maken, is het beter, dunkt mij, dat u het een week uitstelt. Het spijt mij dat het zo treft, nu duurt het zo lang dat u komt. Die vrouw kan ook niet anders. Met mij is het op het ogenblik heel aardig. Dokter is vanmorgen geweest en vond alles goed, ik heb nog soms wel last van mijn hoofd, ik dank vooral voor uw brief, Oepke, die ik zondagmorgen mocht ontvangen. Gaarne zou ik een lettertje terug ontvangen weer op dit schrijven. Ds. Flieringa1 is hier dinsdagmiddag even geweest. Vanmorgen kreeg ik een brief van Oepke de Roos,2 een bedankje voor de portretten. Het was een aangename verrassing voor hen, schreef Oepke. In de hoop, dat u deze in gezondheid moogt ontvangen, na hartelijke groeten gedaan te hebben, noem ik mij uw u liefhebbende moeder,
G. N.-de Roos.
P.S. Het zondagsblad3 komt nu geregeld. ’t Is gisteren over veertien dagen verstreken en heb anders nog geen bericht dan van een goede reis.
(AN)