231. A.W. Bronsveld1 aan O. Noordmans
Utrecht, 8 juni 1909
Geachte collega!
’t Spijt mij u te moeten zeggen, dat ik voor dr. A.H. de Hartog2 niet veel sympathie gevoel. Tot de confessionelen mag ik mij zelf niet rekenen, maar de wijze waarop dr. de Hartog ook op de preekstoel zich uitlaat over de Schrift, behaagt mij evenmin. ’t Komt mij voor, dat uw stuk wel wat groot is van omvang - 60 bladzijden. Doch, wat zal ik ervan zeggen, zonder het gezien en gelezen te hebben? Zend het mij dus, s.v.p. Ik heb echter op ’t ogenblik nog grote voorraad van kopie, en kan dus in geen geval dadelijk helpen. Met achting en heilbede, uw dw. collega,
A.W. Bronsveld.
(AN)