235. Oepke aan zijn moeder
Konstanz, 7 augustus 1909
Lieve Moeder,
In een goed hotel zijn vele geriefelijkheden; zo behoort daartoe ook een kamer, die apart bestemd is voor degenen die schrijven willen. Daar ligt het papier gereed. Zodoende komt het dat u dit blad krijgt. Misschien hebt u mij al eens geschreven. Door het gaan van plaats tot plaats gebeurt het echter, dat ik mijn adres opgeef, maar doordat ik slechts kort blijf ben ik al weg als de post komt. ’t Wordt mij dan nagezonden. Maar nu heb ik u al opgegeven het naar Triberg te zenden. Daar vind ik dus wat er is. ’t Zal echter wel niet voor dinsdag zijn. Nu kan er iets komen in een familie. En daarom geef ik even mijn telegram-adres op: O. Noordmans, Barbarossa Konstanz, zoals ik ’t boven onderstreept heb. Vanavond gaat de brief in de bus. U zult die dus misschien maandagmorgen hebben. We willen echter hopen, dat ’t niet nodig is. Maar er kan natuurlijk altijd iets komen. ’t Weer is vandaag heet geweest, 90 graden. ’t Was hier prachtig. Ik was op een eiland in de Bodensee, waar de groothertogelijke familie in de zomer op een slot woont.1 Ik zag de groothertogin in een rijtuig. ’t Was er zo mooi, dat ik nooit zo iets moois gezien heb. Er stonden palmen en cypressen en ’t geheel was een lusthof. Heel rustig; een eiland van een half uur omtrek, een mooi park met vele zeldzame bomen en planten. De Bodensee is buitengewoon mooi. Uit de verte ziet men de sneeuwbergen en de zee zelf heeft prachtig blauw water en heeft allerlei kleuren als de zon er op schijnt. En als men dan ’s avonds met de boot naar Konstanz terugkeert, na een uitstapje, dan ligt de stad met zijn lichten als een schilderij aan de oever. Maar later vertel ik er wel eens van. Met hartelijke groeten, uw liefhebbende zoon
Oepke.
(AN)