241. Oepke aan zijn moeder
Idsegahuizum, 8 oktober 1909
Lieve Moeder,
Door Pier hoorde ik dat het u gelukkig goed gaat. Wat betreft mijn gezondheid, die is goed. Ik heb elke zondag tweemaal gepreekt. Maar dikwijls is er een vacaturebeurt of liefdebeurt te vervullen, zodat ik maar eenmaal thuis ben. Zo moest ik 29 augustus in Longerhouw preken, 5 september in Spannum en Edens, 19 september in Schraard, 26 september in Pingjum en 3 oktober was ik ’s middags bij ’t afscheid van ds. Bootsma te Exmorra.1 Wel heb ik zo nu en dan nog wat last van pijn in de zijde van ’t hoofd. Maar dat betekent toch niet veel en wanneer ik mij wat warmer kleed gaat het wel over. Ik heb een prachtige hoeveelheid peren gekregen. Meer dan twee mud, dus meer dan vier korf. Ik hoop er u eens wat van te sturen. Ook heb ik druiven. Ze zijn echter niet zo geschikt om over te sturen. Er is maar een enkele tros bij die bepaald mooi is. Ze smaken echter goed. Een tros was er bij van zowat een half pond met prachtige grote druiven. Van Lunteren kreeg ik bericht, dat ’t met Lambers vooruit gaat. Hij is al weer even buiten geweest. Nieuws valt er niet te melden. Ik hoop D.V. a.s. donderdag eens over te komen. Met hartelijke groeten, uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)