Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 5. Idsegahuizum en Piaam

Weergave

264. A.H. de Hartog1 aan O. Noordmans

datum onbekend2

Amice,

Als het er zo bijstaat, heb je eerst recht tegen wind-molens gestreden.3 Want wel het naïef, maar nimmer het transcendentaal realisme4 leert, dat objectieve en subjectieve wereld zouden staan tot elkaar in de verhouding van beeld en copie. Von Hartmann5 wijst er nadrukkelijk op, dat de kwantitatieve verhoudingen der transsubjectieve wereld in het bewustzijn slechts de kwalitatieve voorstellingsrepresentanten wekken. En de Gereformeerden, en De Hartog en Hartmann (last not least) gaan daarom vrij uit. Ook de rest van uw stuk kan (gelijk mij reeds bleek) weer danig misverstand wekken. Ik ben dus ijverig bezig aan een werkje over verzoening,6 waarin ik klaar uitspreek wat in mijn vroegere arbeid nog slechts gedoken lag. Met vriendelijke groet, tt.

De Hartog.

(AN)

Noten

  1. 1

    A.H. de Hartog, zie brief nr. 154 (23.11.1901), n. 1.↩

  2. 2

    Antwoord op een (onbekende) brief, waarin ON kennelijk antwoordde op brief nr. 257 (16.2.1910).↩

  3. 3

    Vgl. O. Noordmans, ‘Het getuigenis van dr. De Hartog’ in SWV 47 (1910), 147 (VW 1, 152): ‘... theologische donquichotterie: een vechten tegen windmolens, dat alleen aan een in dezelfde lijn van geestelijke eenzijdigheid zich bevindende Sancho Panza genoegen bereidt.’↩

  4. 4

    Theorie van de Duitse wijsgeer E. von Hartmann (1842-1906) door wie De Hartog sterk is beïnvloed: het onbewuste, dat uit wil en intelligentie bestaat, draagt de werkelijkheid. Dit onbewuste is kwalitatief van andere aard dan het bewuste psychische leven. Vanwege zijn pogen om langs inductieve weg (via de categorie van de causaliteit) tot metafysische resultaten te komen, kan zijn kenleer met genoemde benaming worden getypeerd. ON typeert de filosofie van Von Hartmann in het desbetreffende artikel in SWV 47, 158v. (VW 1, 158) , aldus: ‘Hij is bang dat, wanneer men aan de dingen die voor ogen zijn slechts symbolische betekenis laat, ze als heenwijzingen opvat naar een mysterie dat ze vertolken en waarvan ze ons vertellen, dat men dan de wereld vervluchtigt. Ze wordt hem dan te licht, te geestelijk. Hij is bang, dat hij dan door de bodem waarop hij staat zal heen zakken. Achter een modderkluit die wij zien moet de eigenlijke modderkluit zijn. Hij verdubbelt alles, de hele wereld. ... Hij zegt: de dingen tikken aan mijn oog, aan mijn oor, aan mijn huid en nu besluit ik uit alles wat ik zie en hoor en voel dat er iets dergelijks achter staat. Hij meent dat wanneer men even deze redenering heeft gehouden, men veel zekerder van zijn zaak is dan wanneer men eenvoudig luistert en het als vanzelfsprekend beschouwt, dat er dan ook iemand is die spreekt.’↩

  5. 5

    E. von Hartman, zie n. 4↩

  6. 6

    In 1920 verscheen te Amsterdam Verzoening. Een beschouwing door dr. A.H. de Hartog. De Hartog schreef daarin als Voorwoord: ‘In het Februari-nummer 1910 van De Stemmen voor Waarheid en Vrede schreef ds. O. Noordmans een waardeering en critiek aangaande De Hartog’s Getuigenis. Deze verhandeling eindigde met de woorden: “Wat we missen, ligt in ’t woord van den Apostel in I Tim. 2:5: Er is een Middelaar Gods en der menschen, de Mensch Jezus Christus. De “Eeuwige” van Dr. d. H.’s geschriften is ons een andere dan de Vader, tot Wien niemand komt dan door den Zoon. En de kosmische Christus, die opduikt uit de diepten der werkelijkheid, doet soms meer denken aan den geest, waarvoor Faust schrikt, dan aan den Zoon vol van genade en waarheid. Ook staat de H.’s theologie meer in ’t teeken der wedergeboorte dan in dat der verzoening.” Gelijk zoovele uitlatingen aangaande mijn standpunt kunnen ook deze woorden wederom misverstand wekken of voeden. Daarom dacht het mij noodzakelijk aan alle verwarring een einde te maken door tijdig mijn hoofdgedachten aangaande de Verzoening neer te schrijven. Later hoop ik uitvoeriger op dit onderwerp terug te komen. Nu kan het er ons slechts om te doen zijn, meerder licht te verspreiden daar, waar men ons pogen nog steeds misduidt. Mijn Heilsfeiten zijn geboren uit reactie tegen een eenzijdige, uiterlijke beschouwing van den Christus en Zijn werk. Noodzakelijk gevolg was, dat dit geschrift op hare beurt ook weer eenzijdig moest schijnen voor hen, die niet nauwkeurig lazen. Vandaar, dat de meening opwaakte: de vergeving, de verzoening komt hier (evenmin als de objectieve Middelaar) tot haar recht. Dit is echter een dwaling, gelijk uit de volgende bladzijden blijken zal. Met opzet verwijs ik dan ook hier en daar naar hetgeen reeds van mijne hand verscheen om aan te toonen, dat de ware verzoenings-leer wel deugdelijk in mijn vroegere arbeid gedoken ligt. d.H.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 263. J.P. Eringa aan O. Noordmans en familie5. Idsegahuizum en Piaam265. A.H. de Hartog aan O. Noordmans →