300. G.J.A. Offerhaus1 aan O. Noordmans
(over de Centraal Bond)2
Eernewoude, 12 augustus 1916
Amice collega!
Kom, amice, waarom schrijft gij mij nu zulk een brief!?3 Heb ik zelfs voor u wat te veel bokkesprongen gemaakt op onze gemoedelijke onderonsje, nu ja collega Pel4 was er bij, maar die betrok ik eigenlijk dadelijk in ’t gilde, omdat voor mijn oog de komische tint ook zo duidelijk op zijn ten tonele treden lag ... jarenlang bestuurslid ... ja of neen? ... en nog nooit lid toen hij eindelijk plechtstatig verscheen! Maar tegenover hem had ik onze schertsende toon wel wat kunnen matigen en duidelijk doen uitkomen dat gij en ik elkaar waarderen en ernstig samenwerken. Toch geloof ik dat hij ’t wel snapte en althans de voorzitter geen haar minder geteld zal hebben om mijn grappen. Maar kom, daar zijt gij ook niet ernstig bezorgd over! Ik kan mij haast niet begrijpen, dat gij zelf die brief geschreven hebt, ’t is me of een ander de pen bestuurd heeft, ik herken er de milde, ruime geest van mijn bevriende collega niet in ... edoch gij schrijft en ondertekent ... ik zal antwoorden en dan zal de hemel wèl weer helder zijn.
1. ’t Circulairetje,5 daarin ben ik nu misschien al in verzuim, maar ik dacht dat in september de tijd wel zo gunstig was als nu. Natuurlijk zal ik ’t graag via Suameer naar Eestrum6 zenden en laat ’t even lief aan de heren over.
2. Het al of niet gaan van de patiënt naar Joure hing niet van ons af en op een vraag van dr. N.7 zei ik, dat wij ook niet meer dan desnoods ⚑_ maal 8 maanden konden betalen. Zelf meende ik zo sterk dat ik had rondgeschreven dat ik bij ’t ontvangen van dr. Geers’ aanmaning naar een rondschrijven gezocht heb, naar ’t m.i. verloren document, om te zien of werkelijk 3 maanden was toegezegd, wat ik onmogelijk denken kan. ’t Kan ook zijn dat dr. N. het mij gevraagd heeft vlak voor de algemene vergadering en dat ik dacht: dan kunnen we ’t wel afspreken. ’t Staat me niet precies meer voor de geest. Maar waar ik van de oprichting af trouw ’t goede pad in deze hield en geen begeren heb om opzettelijk iemand er buiten te laten, zou ik zeggen: pekelzonde!
3. Wat mijn scherts betreft: ik meende juist dat er niet veel collega’s zijn die deze zo leuk weten te beantwoorden en dacht dat gij er geen kwaad in zaagt, ja zelf ’t schraal menu onzer bijeenkomsten graag wat sprenkelde met Attisch zout. Natuurlijk is de [maat kostelijk] en erken ik ook hier graag mijn ... Attische pekelzonde.
4. Ik geloof graag dat gij de sporen inzake filantropie meer verdiend heb dan ik en begeer daar geen wedstrijd in aan te gaan ... en gij immers ook niet. ’t Voorzitterschap is u ook graag gegund, al heb ik voor mijzelf dadelijk en later meermalen bezwaar gemaakt tegen ’t penningmeesterschap omdat ik met mattenvlechterij, kerkvoogdij, polderzaken, dorpsbelang, enz. enz., alles wat hier te pennen valt, bespottelijk veel buitenambtelijk werk heb. Maar ’t werd mij opgelegd en ik deed ’t nog steeds met liefde voor de goede zaak ... graag met u als voorzitter. ’t Enige gevoelige plekje voor u zie ik hierin, dat ik wel eens terecht - al of niet met kwinkslag - opmerkte dat gij een vergadering of zo wel eens vergat uit te schrijven. Maar is dit nu ’t punt waar al ’t andere zuur aan zit? We werken er toch evengoed om samen voor de goede zaak.
5. Van een verontschuldiging over ’t zitting nemen in ’t hoofdbestuur is mij niets bekend. Dat zou terecht een dwaze vertoning zijn. ’t Is volkomen normaal dat gij er in gekozen werd en ik weet dat gij die dingen evenmin ambieert als ik, ’t is niet veel anders dan last (behalve als men meent te kunnen meewerken aan een betere richting in de gang der zaken, dan kan men ’t soms begeren). Wat ik ervan vertelde was eenvoudig om te laten zien dat er indertijd een Offerhaus-fobie bestond, daar ’t toen evenzeer voor de hand lag mij te kiezen, die er was en met lust ’t werk deed van den beginne, en niet iemand die nog lid worden moest als mr. Briët.8 Ook was ’t misschien richtingskwestie mede ... maar tegenover mij leek ’t toen veel op een affront en daar ben ik natuurlijk ook niet op gesteld ... al ben ik op u niet naijverig. En in u zie ik ook een man die ’t om de zaak te doen is, terwijl men veel klein-ambitieuze lui ontmoet. En nu ... blijft er nog iets in uw hart dat bitter is? Ik dacht dat wij eenvoudig vriendschappelijk voor elkaar voelden en blijf dat gaarne doen. Hebt gij er ook niets tegen? Ik zal trachten minder te schertsen!! Hartelijke groeten van huis tot huis, tt.
G.J.A. Offerhaus.
(AN)