309. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1
Suameer, 10 april 1919
Amice frater,
Gij hebt gejubileerd2 en ik heb het niet geweten. Vandaag las ik de gedachtenisrede in de Rotterdammer gememoreerd.3 Al ben ik dan veel te laat, ik wil toch niet nalaten blijk van belangstelling te geven. Gij hebt u te zeer ingespannen voor ideële goederen in ons gewest, dan dat wij u niet hartgrondig dankbaar zouden moeten zijn. Onze doden hebt gij immortellen gevlochten, voor onze kinderen taal en teken gespeld. Gij hebt dit gedaan eerst misschien om de geest te ontspannen, steeds meer echter onder de drang van vocatie met inspanning van alle krachten. Uw roeping als Evangeliedienaar kreeg daardoor een eigen karakter. Dat is juist wat we zo nodig hebben dat ieder z’n arbeid naar eigen aard en karakter drijft. Aan het einde van deze 25 jaren zal het een rijke dag geweest zijn, vol herinneringen. Na veel strijd een dag van rustige bezinning op de leidingen Gods. Zij het u gegeven nog veel te arbeiden voor Gods koninkrijk en voor de toekomst van ons gewest. En kome straks - zij het niet te laat - de dag waarop een wijze beslissing u plaatst op een stoel, vanwaar gij, naar het bijzondere van uw roeping, een groep van jongeren kunt bezielen voor de idealen die nu zo dikwijls moeten worden uitgesproken voor tragen van geest. Met m’n hartelijke gelukwensen,
O. Noordmans.
(PAL)