380. H. Guittart1 aan O. Noordmans
Oosterend, 19 mei 1930
Amice,
Allereerst: wel gefeliciteerd met je broer hier, die heden jarig is.2 En dan wel zeer hartelijk dank voor de toezending van de speech,3 die ik bij deze je weer terugzend. Maar vooral voor je begeleidende brief. Om je de waarheid te zeggen: de speech kan ik maar matig waarderen; niet of er zit een knap stuk theologie in; maar als gelegenheidswoord vind ik het niet erg gelukkig. De redenaar schijnt dat zelf ook wel even gevoeld te hebben, daar, waar hij (zowat in ’t midden) van het lerend tot het vermanend gedeelte overgaat. Enfin, zo zal die tijd wel wat geweest zijn! Inmiddels heb ik het mijne eruit overgenomen, om D.V. in mijn feestrede, begin oktober, te verwerken. En zeer zeker vermeld ik daarin ook je persoonlijke herinneringen van die zomeravondlessen met de overwintering op Nova Zembla, en die optocht met als lokaas: krakelingen! Nu zijn krakelingen altijd beter dan krakeelingen, nietwaar? Aan die laatste heeft het op schoolgebied ook niet ontbroken. Ik ben zeer blij, dat we op 8 en 9 mei4 de vriendschapsband weer eens wat hebben kunnen aanhalen, en zeer gaarne kom ik je te Laren eens opzoeken, als mijn weg ook maar enigszins daarheen leidt. Ik dank je ook voor je vriendelijke gevoelens, die in heel je schrijven zo doorstralen. Dat doet een mens goed. Op onze leeftijd sluit men niet zo gemakkelijk meer nieuwe vriendschappen, doch waardeert de oude dubbel. Je schrijft over mijn salon, of zaal. In allerlei opzicht zijn de snoeren me hier in liefelijke plaatsen gevallen; en het gaat ook goed. Toch is het waar wat je schrijft: in een Fries dorp zitten de mensen wat dicht op elkaar. In een grote Gelderse of Overijsselse gemeente als Laren of Dalfsen kan men zich wat ruimer bewegen. Maar evenals jij ben ik steeds onder de bekoring van het Friese landschap. Nu, vele hartelijke groeten, van huis tot huis! tt.
H. Guittart.
P.S. Ontegenzeggelijk was P.J. Troelstra een groot man, van zijn schouderen en opwaarts; een dichterlijke, religieuze natuur.5 Maar hoe arm en heidens waren de samenkomsten van zijn partij bij zijn heengaan! Ondanks getemperd licht, en treurmuziek, en stilte! Het meest frappeerde me dat in één der samenkomsten de voorzitter verklaarde: ‘De samenkomst is gesloten.’ Wij zouden dan een gebed doen, een psalm zingen, of de zegen geven. En hoe klein wat Vliegen6 (meen ik) zei: ‘Zijn uitvaart was niet vorstelijk, want vorsten worden niet beweend,’ enz., enz. Zelfs bij zo’n gelegenheid moeten de HH. hun antimonarchale gevoelens luchten.
(AN)