385. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, 30 december 1930
Amice,
Vandaag kreeg ik je boek2 op zicht, waarin ik terstond mijn naam schreef als bewijs van eigendom. Veel zal wel boven mijn petje gaan, vooral nu waar ik door de ziekte van mijn vrouw3 en het waken, enz., moe in mijn hoofd ben. Het stuk over ‘Gunning en de Kerk,’4 en dat stukje is mij al een heel boek waard. Heerlijk dat gij zo beslist uitspreekt dat Gunning in zijn laatste geschriften in hoofdzaak dezelfde is als in zijn vroegere en dat van een seniele aftakeling geen woord waar is.5 Ik heb dat uit den treure gezegd, maar het vindt bij oppervlakkige lieden die in alles gretig zijn en alles toetsen aan eigen mening, geen geloof. Mijn zwager6 is ook niet vrij van die legende. Het verblijdt me zo dat Gunning meer gelezen wordt. Ik heb nu geen gelegenheid om verder hierop in te gaan, maar ik kon niet nalaten je dadelijk een woord van dank te betuigen. Mijn vrouw is reeds 1 3/4 jaar ziek. Sedert 14 dagen ga ik niet van honk en waak bij haar bed, met behulp van onze drie grote dochters. Elk ogenblik kan het einde komen dat het begin zal zijn van hogere heerlijkheid. Het is pijnlijk die strijd van dit sterke gestel tegen het slopingsproces aan te zien. De uitwendige mens wordt afgebroken maar de innerlijke groeit van dag tot dag. Met vriendelijke groeten, ook voor je vrouw de trouwe en dankbare lezeres van Voor Moeders,7 tt.
H. Visser.
(AN)