Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 7. Laren

Weergave

412. Th. L. Haitjema1 aan O. Noordmans

Groningen, 8 maart 1932

Zeer geachte ds. Noordmans,

De door u geciteerde uitlating van mij op de Zwolse vergadering2 betreffende u kan ik niet zonder meer als juist erkennen. Ik had mijn toespraak niet op schrift gesteld, en heb dus à l’improviste de volzin gevormd, die u ernstig wraakt. Ik meen, dat ik dit gezegd heb: ‘zelfs ten aanzien van de door mij hooggeachte ds. Noordmans is mij onlangs op een vergadering te Zutphen gebleken, dat hij het ontwerp niet bestudeerd had en eigenlijk niet goed kende.’ De aanhef kan ook zo zijn geweest: ‘zelfs de door mij hooggeschatte ds. Noordmans heb ik onlangs op een vergadering te Zutphen menen te kunnen aantonen, dat hij,’ enz, enz. U zult wel begrijpen, waarop ik daarbij zinspeelde. Het was op de wijze, waarop u verrast reageerde op mijn betoog in de repliek, dat het hoofdstuk ‘Leergeschillen en Leertucht’ in ons ontwerp3 als niet geschreven kon worden beschouwd, mits men de plaats daarvoor maar open wilde laten. Na afloop der vergadering heb ik u toen onder vier ogen nog even gezegd: dat ik niets nieuws betoogd had, maar dat met zoveel woorden in het ontwerp zelf door de Reorganisatie-Commissie4 van meet af hetzelfde geponeerd was in de toelichting bij het bewuste Hoofdstuk VI5 Leergeschillen en Leertucht. (Ten overvloede had ik in mijn toespraak op de eerste Utrechtse vergadering van het Hervormd Verbond6 (deze clausule uit het Ontwerp nog eens in ’t volle licht getrokken). Een en ander was u toch blijkbaar ontgaan. Ik meende daaruit te mogen opmerken, dat ook u het ontwerp niet goed kende. Indien u mij nu echter verklaart, dat ik te veel uit deze ene gebleken lacune in uw kennis van het reorganisatie-ontwerp heb afgeleid, dan betuig ik u van ganser harte mijn leedwezen over mijn voorbarige conclusie. Trouwens, ik heb ten aanzien van dit persoonlijk feit a priori reeds neiging, om een ‘peccavi’7 uit te spreken, daar ik allerminst een bewonderaar ben van de gevaarlijke en ‘missverständliche’ methode, om in een toespraak personen te noemen en aanhalingen te doen uit wat personen dan en dan gezegd hebben. Wij hebben te trachten de grote lijnen en beginselen tot klaarheid te brengen. En daarmee hebben wij voorshands werk genoeg. Ik wil u echter wel zeggen, hoe ik er toe gekomen ben, in die Zwolse toespraak dit glibberige en weinig uitzichten openende pad te betreden. Ik sprak daar na prof. Brouwer, die zich in zijn toespraak8 veroorloofde tot vier malen toe namen van hoofdbestuursleden van ‘Kerkherstel’ te noemen en hun woorden aan te halen. En tot vier malen toe trok hij uit die woorden verkeerde conclusies. De personen waren: dr. Evenhuis,9 ds. van der Zee,10 dr. Riemens,11 de heer P.W. de Vries.12 En dan reken ik mijzelf nog niet eens mee. Ik werd zelf ook meer dan eens geciteerd (o.a. ook weer met betrekking tot mijn uitlating op de Utrechtse predikantenvergadering van 1930 betreffende de rechts-modernen;13 een uitlating, die prof. Brouwer altijd dwars tegen heel mijn genoeg bekende kerkbegrip in expliceert!). Nu was mij verzocht, vooral niet die avond te Zwolle als een ‘gedachtenwisseling’ te verstaan. Ik ging dus niet in op al die citaten van prof. Brouwer. Maar ik heb er mij wel door laten verleiden, tot tweemaal toe namen van Hoofdbestuursleden van ‘Kerkopbouw’ te noemen, n.l. ds. Noordmans en prof. Kohnstamm.14 Dat had ik, ik erken dat, niet moeten doen, omdat mij de tijd ontbrak, zorgvuldig genoeg uit te werken, waarop ik zinspeelde, en waaruit ik mijn conclusie trok, toen ik u noemde. Met vele vriendelijke groeten, hoogachtend, uw dw.

Th. L. Haitjema.

(AN)

Noten

  1. 1

    Th. L. Haitjema, zie brief nr. 352 (24.6.1926), n. 4.↩

  2. 2

    In antwoord op brief nr. 411 (7.3.1932).↩

  3. 3

    Zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 7.↩

  4. 4

    De in 1927 door de synode ingestelde reorganisatiecie. die het Ontwerp 1929 had opgesteld.↩

  5. 5

    ⚑Het gedeelte uit de Toelichting bij Hfd. 6, ‘Leergeschillen en Leertucht’, waar Haitjema op doelt, luidt (Hand. Syn. 1929, 168): ‘Bij het ontwerpen van deze bepalingen over leergeschillen zweefde Uwe Commissie ook de gedachte voor aan de mogelijkheid, dat zij, of beter de Synode, die hare voorstellen overneemt, de nadere uitwerking van de behandeling der leergeschillen ook zou kunnen overlaten aan de toekomstige Synode, die de Kerk naar nieuwe orde vertegenwoordigt. Slechts voor ’t geval deze vraag ontkennend wordt beantwoord, of voor ’t geval men bij bevestigend antwoord zich de mogelijkheid der uitvoering zou willen voorstellen, worden deze voorstellen ingediend. Hoofdbeginsel is, dat de Kerk is onderworpen aan Gods Woord, en dat niet hare beslissingen maar Gods Woord het hoogste gezag hebben. (Art. VII, Nederl. Geloofsbelijdenis.) Naast geschillen over de Belijdenis zelve is het hier ook noodig, geschillen over belijdenisvragen, formulieren en bepalingen, waarbij gewetensconflicten zijn ontstaan, onder de oogen te zien. De Classicale Vergaderingen, aan wie sommigen de behandeling der leergeschillen allereerst wilden opdragen, komen hier vanzelf in actie.’ Vgl. brief nr. 410 (5.3.1932).↩

  6. 6

    ⚑Haitjema bedoelt de eerste algemene ledenvergadering van 15.10.1930. In AWCC 6 (24.10.1930) nr. 52 reageert Brouwer op deze bijeenkomst onder de titel ‘Kerkherstel?’ en schrijft daarin o.m.: ‘Wanneer wij van de rede van den Voorzitter de bloemetjes weglaten, dan komt de bedoeling hierop neer: het punt van concentratie blijft het reorganisatie-voorstel van de Commissie 1929, onverkort, met de ambtelijke leertucht als noodzakelijk onderdeel. Wel zal men deze niet onmiddelijk willen toepassen....’↩

  7. 7

    Lat.: ik heb gezondigd.↩

  8. 8

    Zie brief nr. 410 (5.3.1932).↩

  9. 9

    R.B. Evenhuis, 1e secretaris van KH; zie brief nr. 399 (2.6.1931), n. 7.↩

  10. 10

    G. van der Zee (1893-1961), herv. pred. o.a. te Vaassen 1931, Ridderkerk 1936, Baambrugge 1950-1957; lid hoofdbestuur KH.↩

  11. 11

    Joh. Riemens (1875-1974), herv. pred. o.a. te Leiden 1917-1944; lid hoofdbestuur KH.↩

  12. 12

    P.W. de Vries, 2e secretaris van KH;↩

  13. 13

    Haitjema zou gezegd hebben dat naar zijn mening in de NHK plaats voor de rechts-modernen is en moet zijn. Deze uitspraak werd vaker door Brouwer aangehaald, o.a. in zijn rede ‘Op hooger plan’ voor de ledenvergadering van KO op 15.6.1931. In deze rede zei hij: ‘In 1930 heeft collega Haitjema, de leider van KH, verklaard, dat de rechts-modernen toch zeker tot de kerk van Christus zijn te rekenen.’ Voor wat Brouwer verder nog over de vergadering in Zwolle schreef, zie brief nr. 410 (5.3.1932).↩

  14. 14

    Ph.A. Kohnstamm, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 4.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 411. O. Noordmans aan Th. L. Haitjema7. Laren413. O. Noordmans aan Th.L. Haitjema →