443. K.H. Miskotte aan O. Noordmans1
Haarlem, 10 october 1933
Zeer vereerde Noordmans,
Hartelijk dank, dat u zo spoedig geantwoord hebt. U hebt de geleidelijkheid des Geestes bedoeld als een tegenbeeld van een dialectisch omslaan van tegendelen à la Hegel - maar dit laatste stond mij niet voor ogen, veeleer is het mijn bedoeling geweest om de ‘existentiële’ onmogelijkheid van zulk omslaan aan te wijzen, vooral waar het Thora en Kerugma2 betreft; en zelfs elke ‘overgang’ op de weg der gedàchte àf te snijden, om ruimte te laten aan de Geest, evenwel niet aan de geleidelijkheid des Geestes. De ‘onheilige overgangen der gedachte’ (ik begrijp nu beter wat u daarmee bedoelt) worden bovendien door mijn getuigen, op hun wijze, evenzeer gewraakt. Maar ik wil dit academisch praten niet verder voortzetten - te minder waar u nu een punt aanraakt, dat mij al lange tijd bezig houdt en mij soms tot een obsessie wordt. Ik bedoel het Barthse ‘je und je’; ik durf het haast niemand te zeggen, maar daarbij kan ik mij niets denken, al begrijp ik de (polemische) strekking van deze voorstelling. Barth spreekt hierin een contingentie uit van tijd, maar een, die niet ligt in ‘onze’ tijd; de bedoeling is immers niet, dat het Woord bestendig is, maar dat de subjectieve ontvankelijkheid bij ons ontbreekt. Hij moet bedoelen een contingentie in de bedeling van het Woord zelf, een contingent gebeuren vanuit God, in God. Indien hij nu maar - al bleef het bij een poging, een vluchtige intuïtie - aanwees, hoe hij de tijd wenst op te nemen in de Godsgedachte, dan zou men voorlopig tevreden kunnen zijn, verder afwachten en zelf verder zoeken. Daarvan vind ik echter bij Barth geen spoor. Is het de vrees, dat de ter deure gewezen wijsgerige prolegomena (waaronder nu ook die aan de existentialfilosofie ontleende behoren) op de een of andere wijze hier, door het venster dezer problematiek, weer binnenspringen? Of wat is het, dat hij maar eentonig voortgaat God voor te stellen als iemand (het klinkt oneerbiedig, maar ik ontkom niet aan die indruk!) die het razend druk heeft, om hier en daar, waar het hem behaagt ‘je und je’ - ‘zur Stelle zu sein’ zodat zelfs het vermoeden rijzen kan, dat het niet onzinnig zou zijn in tijden van dorheid en verlatenheid van deze god te zeggen: ‘misschien slaapt hij, of misschien heeft hij iets te doen elders, of wellicht is hij juist op reis om zich3, heel opnieuw, in Honolulu te ‘openbaren’.’ Als jongen van 15 las ik, in de vacantie op de Veluwe, de Idee-studies van Bierens de Haan.4 Het trof mij bijzonder dat de schrijver aan Israël en het christendom verwijt dat zij de tijd een plaats geven in de Godsgedachte, wat tot niets anders dan absurditeiten kan leiden. Later vernam ik hoe met name Augustinus met deze vragen geworsteld heeft. Toch drukte op hém nog niet de volle zwaarte van het probleem, omdat hij geen volkomen ernst maakte met de Israëlitische structuur van de Schrift, met het dáádkarakter der openbaring. Ik kan niet ontkennen, dat de langbegraven vragen, die mijn kindergeest verontrustten, de laatste tijd weer opkomen. Nu doet u mij in uw brief de verrassende (laat ik zeggen) mededeling, dat de Neu-Prädikation5 wel het absoluut-momentele is, maar het ‘absoluut-momentele in de geleidelijkheid des Geestes’; ik veronderstel dat u het laatste niet bedoelde als de contingentie die loodrecht staat op de geleidelijkheid van onze geest (wat de hoofdletter reeds uitsluit); ik voel - of vergis ik mij - dat de tijd ook voor u niet alleen een wijsgerig, maar ook een theologisch probleem is; evenwel wordt het mij niet duidelijker als u vervolgt: ‘de absolute geleidelijkheid, daarmee evenredig, ligt voor mij uitgedrukt in de Predestinatie.’ Hoe nu? Prädikation en Predestinatie zouden niet hetzelfde zijn? Predestinatie zou toch weer worden een variant van de Voorzienigheid? Er zou een innerlijke dialectiek zijn tussen moment en geleidelijkheid? (Dat is toch bedoeld met het woord ‘evenredig’?) Ik schrijf u dit in haast, want ik ben als bedolven onder het werk en houd mij ternauwernood op de been, maar ik hoop dat u bemerkt, al heb ik het wellicht dom uitgedrukt, waar het mij om gaat en hoe graag ik aan Barth’s obsessie zou ontkomen, indien dit op een rechtschapen manier mogelijk is. U zegt, dat u daarover schrijven zult in uw opstel over het ‘Dogma’ (maar moet ik werkelijk tot zolang, totdat [het] verschijnt, omstreeks Kerstmis, wachten?). Indien het u enigszins mogelijk is, schrijft u mij dan eens met een enkel woord, zo mogelijk, hoe wij de verhouding van de ‘tijd’ Gods en de eeuwigheid, van de ‘daad’ Gods en zijn wezenswerkelijkheid bij benadering hebben te denken. Met vriendelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)