Stefan George, ‘Urlandschaft’ in: Der Teppich des Lebens (Gesamt-Ausgabe, dl. 5) (Berlijn 1927-1934), 41. Van der Leeuw citeert hieruit een aantal strofen, die hij inleidt met de woorden: ‘Of is er ooit zuiverder, soberder, krachtiger mythos van de intrede van den mensch in de wereld gedicht als in dit ‘Urlandschaft’.’ Noordmans verwijst in deze brief naar een regel uit een van de geciteerde strofen:
‘Und in der weissen sonnen scharfem glühn
Des ackers froh des segens neuer mühn
Erzvater grub erzmutter molk
Das schicksal nährend für ein ganzes volk.’
Van der Leeuw schrijft dan: ‘De visionaire kracht, waarmede dit beeld van den overgang van natuur in cultuur met zoovele andere wordt gesproken, beleeft de dichter als een geschenk, een mystische gave...’ Levensvormen, 245. De desbetreffende dichtregel wordt door ON aangehaald in: Dingen die verborgen waren (Zeist 1935), 22; VW 2, 64.↩