458. R.B. Evenhuis1 aan O. Noordmans
Zaandam, 17 juni 1934
Hooggeachte collega,
Door velerlei drukte kwam ik er nog niet toe u het officiële antwoord van ons hoofdbestuur te zenden op uw laatste schrijven.2 Waar ik toch van plan was u persoonlijk daarnaast nog iets te zeggen, doe ik dat bij deze. Het antwoord van Kerkherstel aan Kerkopbouw komt dan deze week. U zult wel niet verwacht hebben, dat Kerkherstel het nieuwe accoord3 aanvaarden zou. Inderdaad is dat ook niet het geval. Met algemene stemmen besloot ons hoofdbestuur hieromtrent afwijzend te beschikken en alleen namens Kerkherstel een adres aan de synode te richten. Een en ander is zeer teleurstellend. Maar wij wijzen in alle opzichten de verantwoordelijkheid voor deze gang van zaken af. In de nu door Kerkopbouw voorgestelde veranderingen in haar rapport lees ik ternauwernood nog iets van datgene wat door de commissie van contact werd geformuleerd.4 Ik meen daarin te moeten zien de fnuikende invloed der vrijzinnigen, die dus in staat zijn geweest een wig te drijven in het front van hen, die waarlijk een andere kerk begeren. Het is jammer dat dit mogelijk is geweest. Maar de zaken staan nu eenmaal niet anders. Twee dingen zou ik nog willen zeggen. Ten eerste, laat Kerkopbouw nu ophouden het voor te stellen alsof een compromis gemakkelijk bereikt zou kunnen worden, indien Kerkherstel maar wilde. In de woorden van prof. Brouwer, gesproken op uw laatste ledenvergadering,5 beluister ik wederom deze klank. En dit is toch geheel bezijden de waarheid. Een compromis veronderstelt dat men van beide kanten iets van zijn absolute eisen wil afdoen. Kerkopbouw heeft tot nu toe nog geen enkele stap gedaan. Het rapport ligt er nog precies zoals het eens opgesteld werd. Ten tweede heeft mij teleurgesteld de houding van de twee leden van Kerkopbouw in de commissie van contact. Was ons gemeenschappelijk voorstel door Kerkopbouw aanvaard en aan Kerkherstel voorgelegd, dan zou ik achter dat compromis zijn gaan staan. Ik zou er een portefeuille-kwestie van hebben gemaakt. Had ons hoofdbestuur het verworpen, ik zou uit Kerkherstel zijn getreden. Eenzelfde houding had ik van u en prof. Kohnstamm verwacht. Blijkbaar is dit niet geschied. Dit is dus het resultaat van eindeloze samensprekingen. Het zal u niet verbazen te vernemen, dat ik er nu geen licht meer in zie en mijn plaats in de commissie van contact ter beschikking heb gesteld. Mogelijk wil een ander lid van ons hoofdbestuur het eventueel nog eens proberen. Maar dit betekent voor mij het einde. En dan te moeten bedenken dat het had gekund, indien wij slechts hadden gewild. Ge wilt mij deze persoonlijke ontboezeming ten goede houden. Maar ik vind het indroevig, dat er nog krachten in de kerk werkzaam zijn, die op zulk een wijze gemeenschappelijk optrekken van Kerkopbouw en Kerkherstel weten te torpederen. Met collegiale groeten,
R.B. Evenhuis.
(AN)