Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 7. Laren

Weergave

475. O. Noordmans aan K.H. Miskotte

Laren (G.), 18 november 1934

Amice,

Hartelijk dank voor de toezending van uw Korte Nabetrachting1 dat ik met veel interesse gelezen heb. Het is een voortreffelijk werkje, dat zeker zijn weg wel zal vinden. Liever dan deze algemeen-gehouden lofspraak zal het u waarschijnlijk zijn, als ik - daarmee bewijzende dat ik het met critische aandacht heb gelezen - op enkele bijzonderheden inga. Zo uw werken met ‘haakjes’; dat in verband staat met uw stijl in ’t algemeen. Ik heb er meen ik - over die stijl - vroeger al eens over geschreven. Het geeft een zekere gemeenzaamheid aan de uitdrukking der gedachten, die op zich zelf niet populair is. ’t Herinnert mij soms aan Kohlbrugge. Bij u is de menging echter heel anders. Er zit soms humor in. Zo staat ergens een kostelijk ‘(moet men weten)’;2 ik heb het - niettegenstaande een kwartier zoeken, niet terug kunnen vinden, wat mij spijt. Soms ook is het dialectiek ‘en détail’. Een voorlopige waarschuwing, dat gij ook ‘anders’ kunt spreken. Maar in hoofdzaak voel ik er contact in met de kleine luyden. Het is de kerkbodeschrijver,3 maar dit niet alleen. Er is ook Tale Kanaäns in - niet in ongunstige zin. In één woord - het zou een psychologische studie vereisen om die kostelijke haakjes naar waarde te schatten. Het boekje zou niet zijn wat het is, als ze er niet in waren. Nu nog een andere opmerking. Ik zou ze - men mag een gegeven paard niet in de bek zien - niet maken, als het niet een schrijver gold, wien het niet schaadt als men hem even in de veren vaart. Hij blijft er toch wel warm inzitten. Nu dan! Gij zijt stevig-dialectisch te werk gegaan. Gij staat nu aan de rechterkant van de Afscheiding, dan aan de linkerkant en zegt dan aan ’t slot: kijk, zo heb ik het gedaan, eerst rechts, toen links, zoals een gymnastiekleraar na een buikzwaai aan de rekstok, een voorwerker. Ik vraag nu: is die dialektiek niet wat te opzettelijk, te mechanisch, te ruimtelijk? En moet ze niet meer verzacht, verzedelijkt, verhumaniseerd, vertheologiseerd worden met de middelen, die de taal en tenslotte de geest ten dienst staan? Moet het dialectische niet meer worden weggewerkt? Ziehier mijn opmerkingen, als bewijs van belangstelling! Met vriendelijke groet tt.

O. Noordmans.

(AKHM)

Noten

  1. 1

    K.H. Miskotte Korte Nabetrachting over de Afscheiding van 1834 (Amsterdam 1934); ook in: Om de waarheid te zeggen (Kampen 1971), 13-57.↩

  2. 2

    ON doelt op het volgende citaat: ‘In dien tijd wilde (moet men weten) ieder ‘bijbelsch’ zijn, om aan het schrikbeeld der gereformeerde conféssie te ontkomen, maar bij alle variatie ontdekte men in de bijbel toch nooit iets anders dan een leer en in Jezus een wijzen leeraar.’ (61)↩

  3. 3

    Het boekje van KHM is een bundeling van zeven artikelen, die hij in de zomer van 1934 schreef in het Haarlemsch Predikbeurtenblad: ‘tot nadere onderrichting van de gemeente.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 474. P. Scholten aan O. Noordmans7. Laren476. A.M. Brouwer aan O. Noordmans →