Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Idsegahuizum en Piaam 1903-1910

Weergave
Passages naar Readwise sturen

176. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans

Amsterdam, 31 maart 1904

Waarde neef.

Door de vele drukte hier in Amsterdam is het waarlijk moeilijk de correspondentie met familie en kennissen enigszins geregeld bij te houden. En toch breek ik niet gaarne een briefwisseling met de een of ander af, want dat geeft altijd zo iets van de indruk van gebrouilleerd te zijn. Het zwak van uitstellen kleeft ook mij aan, ofschoon ik mijzelf steeds wijs maak, dat het wettige oorzaken heeft. Het is echter een familiegebrek, dat ik van mijn moeder heb geërfd. Zo ook het laat klaar komen met mijn werk, dat mij bijzonder eigen is. Met een preek, met een stuk voor De Gereformeerde Kerk enz. was het vaak op ’t nippertje. ’t Verwondert mij soms, dat ik nog met zoveel klaar gekomen ben, wat ik begon. Het is bijzonder moeilijk zulke kleine karaktergebreken te overwinnen. Gij zult dat ook ervaren, want in ’t begin van januari schreeft gij:2 ‘Eerstdaags zend ik u de rede van dr. Daubanton3 terug’ en nu zijn wij op de laatste maart. Niet dat ik behoefte heb aan die rede, en sterk verlang haar te ontvangen, maar alleen om mijzelf te troosten, dat er meer mensen zijn, die met hetzelfde gebrek zijn behept als ik. Dat vermindert niet zo aanstonds, al schrijft men: ‘Met een nieuw jaar zal ik mij in dit opzicht trachten te beteren.’ Maar nu hiervan genoeg. In het begin dezes jaars ontving ik twee brieven uit Wonseradeel, de een met het postmerk ‘Makkum’, de andere met het stempel ‘Parrega’. Deze laatste4 heb ik de vorige week beantwoord, de eerste5 krijgt nu zijn beurt. ’t Was ons aangenaam eens weer van u te horen. Toen wij deze zomer in Idsegahuizum waren werden wij zo levendig herinnerd aan het verblijf in onze eerste gemeente. Als men te midden van het gewoel en de drukte, de gestadige en snelle afwisseling van werkzaamheden en indrukken verkeert, dan komt de verzuchting wel eens op:

‘Beatus ille, qui procul negotiis,
ut prisca gens mortalium,
paterna rura bobus exercet suis,
solutus omni fenore.’6

Maar als ge dan weer de paterna rura7 bezocht hebt, dan gaat het u als de ‘fenerator Alfius’8 die niettegenstaande zijn heimwee naar ’t land toch te Rome bleef. En zo denk ik, dat ook wel vervuld zal worden, wat gij schreeft: ‘Eenmaal stadspredikant, zal het wel stadspredikant blijven, als de toestand niet te onaangenaam is.’ Wij gewennen onszelf ook al meer en meer aan de gedachte, dat wij hier de rest van ons leven wel zullen blijven wonen en arbeiden. En vele dingen, die eerst zeer onaangenaam zijn, gewennen op de duur. Maar alles op zijn tijd, ik zou niet gaarne willen, dat ik niet mijn eerste leerschool te Gaast had gehad. Ook dat waren genoegelijke dagen, de ellende van de Doleantie er buiten gerekend. Maar mijn leven had toen iets, wat aan het uwe ontbreekt tot nog toe; ik was in het bezit van een lieve vrouw. En gij weet, dat de wijze koning, die zelf onder duizend geen vrouw gevonden had (Pred. 7:28) toch verklaren moest: ‘Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van de Here’ (Spreuken 18:22). En daarom wens ik ook u toe, dat gij binnen niet al te lange tijd zulk een vrouw moogt vinden als Salomo tevergeefs had gezocht, want dat zal nog beter de eenzaamheid verdrijven dan de omgang met de ringcollega’s, hoe aangenaam deze ook wezen moge. En dan verstaat gij misschien ook nog beter, dat het coelibaat een ‘ens privativum’9 is, meer dan de zonde, die volgens mijn bescheiden mening een perversitas humanae naturae10 is, die ons onderwerpt, zo de Here niet met Zijn Geest en genade tussenbeide komt, aan de drievoudige dood. Gij merkt, ik ben niet te genezen. Ik kan mij misschien niet opheffen tot de metafysica en blijf dus de zonde als iets vreselijk reëels beschouwen. Het komt mij voor, dat onze zwevende begrippen het gevolg zijn van gebrekkige dogmatische vorming. Verbeeld je, ik heb onder mijn collega’s de naam van ‘dogmaticus’ te zijn, ik die mij altijd zozeer bewust ben geweest van mijn veel te geringe kennis van de dogmatiek. En indien de dogmatische kennis van de predikanten der hoofdstad nog niet groter is, wat moet het dan wel zijn met de jongeren buiten, die ten dezen opzichte een nog gebrekkiger opleiding - want dat is aan onze hogescholen aldoor verslechterd - hebben gehad. Onze vaderen waren denkers, en indien voor ons de Heilige Schrift Gods Woord en de bron van alle waarheid is, dan zullen wij moeilijk een juistere en duidelijkere dogmatiek kunnen geven dan zij in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis en in de Heidelbergse Catechismus hebben neergelegd. Maar ik wanhoop er aan om u tot andere gedachten te brengen, in de weg van studie van Gods Woord en gebed wordt de waarheid gevonden. Onlangs heb ik een brief aan uw vader geschreven en enige dagen later antwoord ontvangen. Met zijn verjaardag en met de aanvang van het nieuwe jaar, wat trouwens bijna samenvalt, had ik geen tijd tot schrijven kunnen vinden. Uit zijn brief vernam ik, dat het deze winter met zijn gezondheid heel goed gaat. De 13de maart j.l. heb ik onze jongste collega, ds. Mansvelt11 overgekomen van Scheveningen, in zijn dienstwerk alhier bevestigd. Onze grootste kathedraal geheel gevuld met mensen. Alle zondagavondbeurten staan dan op één na stil, en gij kunt begrijpen, dat de stroom zich dan naar de Nieuwe kerk richt. Met de te bevestigen broeder had ik achttien predikanten onder mijn gehoor. Ik sprak naar aanleiding van 1 Cor. 4:1, 2, de leerrede is deze week, op veler verlangen, in druk verschenen. ’s Woensdagsavonds daaraan volgende deed ds. Mansvelt zijn intrede. Misschien hebt ge plan om in het voorjaar wederom de predikantenvergadering te Utrecht12 te bezoeken. Kom ons dan bezoeken, gij reist dan toch over Amsterdam. Wij willen hopen, dat gij het dan beter treft dan ten vorigen jare, toen uw voorgenomen bezoek ten onzent door de allerdroevigste omstandigheden in onze familie in het water gevallen is. Van neef en nicht Lambers horen wij weinig; het is hun fort om o.a. ook onze verjaardagen te vergeten. In december zijn Betje en Sjoerdje een kleine veertien dagen bij ons gelogeerd geweest. Deze winter hebben wij nog een uitstapje gemaakt naar Friesland, daar vader 21 januari jarig is. Ik heb bij die gelegenheid tweemaal gepreekt voor collega Stekhoven, die, zoals ge weet, aan suikerziekte lijdt.13 Het is voor hem en de zijnen erg ongelukkig. Nu heb ik mij dan gelukkig weer van mijn schuldige plicht gekweten. Wij ontvangen zeker wel weer eens, binnen niet al te lange tijd, een schrijven van u. De Here schenke u wat gij nodig hebt bij uw arbeid en zegene die voor uw gemeente! Ontvangt deze in welstand met vele groeten ook van Gee en Aagje. Uw toegenegen neef,

J.P. Eringa, v.d.m.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.P. Eringa, zie brief nr. 26 (12.3.1887), n. 6.↩

  2. 2

    Brief onbekend.↩

  3. 3

    Waarschijnlijk de inaugurale oratie van F.E. Daubanton: Wetenschap en zonde (Utrecht 1903). F.E. Daubanton (1853-1920), ethisch theoloog, Waals predikant te Zwolle 1878, herv. pred. te Heemstede 1886, Amsterdam 1889, hoogleraar vanwege de NHK Utrecht 1903-1920 (bijbelse en praktische theologie, zendingswetenschap), medeoprichter van de Theologische Studiën 1883, auteur van o.a.: Lessing et la théologie allemande au XVIIIe siècle (diss. Amsterdam 1878); Prolegomena van protestantsche zendingswetenschap (Utrecht 1911).↩

  4. 4

    In Parrega stond van 1898-1906 D. Eringa, broer van J.P. Eringa, zie brief nr. 259 (15.4.1910), n. 3 en brief nr. 43 (3.7.1888), n. 7.↩

  5. 5

    Kennelijk de brief van ON van begin 1904.↩

  6. 6

    Horatius, Epoden II: “Gelukkig hij die, die ver van beslommeringen

    - zoals ’t aloud geslacht der stervelingen

    de vaderlijke velden ploegt met eigen rund’ren

    vrij van elke schuld.”↩

  7. 7

    Lat.: paterna rura, vaderland (lett.: voorvaderlijke velden).↩

  8. 8

    Lat.: geldschieter of woekeraar Alphius.↩

  9. 9

    Lat.: een wezen dat geen wezen bezit (lett.: een beroofd wezen).↩

  10. 10

    Lat.: verdorvenheid van de menselijke natuur.↩

  11. 11

    G. Mansvelt (1863-1945), herv. pred. te Nigtevegt 1889, Scherpenzeel (Gld.) 1892, Amersfoort 1896, Scheveningen 1898, Amsterdam 1904-1930 em.↩

  12. 12

    Op initiatief van o.a. J.H. Gunning Jr. en J.W. Felix is in 1862 de Evangelisch-Confessioneele Predikantenvereeniging opgericht, later herdoopt tot ‘Nederlandse Hervormde Predikantenvereniging.’ Deze hield en houdt kort na Pasen jaarlijks een bijeenkomst.↩

  13. 13

    J. Schuurmans Stekhoven J.H.zn. (1854-1909), herv. pred., actief in de Confessionele Vereniging, gepromoveerd 1877 te Utrecht over Het fragment van Muratori, predikant te Bath 1878, Exmorra 1880, Oudega (W.) 1887, Spannum 1893-1908. Vanaf 1902 werd Schuurmans Stekhoven door zijn ziekte telkenmale gedwongen zijn werk te onderbreken.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 175. A.M. Brouwer aan O. NoordmansIdsegahuizum en Piaam 1903-1910177. Ouders aan Oepke →