186. Oepke aan zijn ouders
Idsegahuizum, 27 november 1905
Geliefde Ouders,
De lamp heb ik ontvangen. In het couvert dat er als adres aanzat, werd een postzegel gevonden. Of dat toeval was of opzet weet ik niet. Althans ik wil die postzegel terugsturen naar Scharnegoutum, maar dan opgeplakt. Wat de lamp betreft, die brandt slecht, zodat ik een nieuwe zal kopen. Maar er is iets anders waar ik aan twijfel. Onlangs op een avond bij collega Van der Schans1 komende, vond ik een boekje van vader over Evangelische Heiligmaking.2 Ook bij Van Dijk was zulk een boekje ontvangen. Tot nog toe heb ik niets van dien aard gekregen. Is de postzegel misschien daarom ingesloten? Maar ik heb niets ontvangen! Toch vermoed ik dat er een exemplaar aan mijn adres zal verzonden zijn. Het zal zeker als een verrassing bedoeld zijn. Althans toen ik de laatste keer thuis was hoorde ik wel een opmerking over geslotenheid, maar geen mededeling over een werkje, dat ter perse was. Is er een boekje verzonden, maar verloren gegaan, dan ontvang ik zeker nog wel een exemplaar! Tevens zou ik wel willen weten waar dat boekje zo plotseling vandaan komt. ’t Is hier op ’t ogenblik - en zo zal ’t ook wel in Scharnegoutum zijn - een flinke bries. Vannacht is een schoorsteenbord met een grote slag van boven gewaaid. Bij Van Dijk heb ik Betje een paar keer ontmoet. De dames schijnen voorgoed verdwenen te zijn. Met het huisgezin daar gaat het goed. Ook ik ben gezond. Met hartelijke groeten, uw liefhebbende zoon
Oepke.
(AN)