194. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 8 juni 1907
Geliefde zoon Oepke,
Wij hebben nu plan om zaterdag de 11de juni des avonds omstreekts acht uur bij u te komen logeren. Wel heb ik nog veel last van moeheid in de leden en sufheid in mijn gestel, maar het is nu zomer en ik kan ook al niet wachten dewijl m.i. de ouderdom hoofdoorzaak is en mijn gezondheid goed. Wij willen dan D.V. zaterdagmorgen bij Van Dijk en Anna even pauzeren, dan is de reis wat minder vermoeiend. Daarna zouden wij u eens in Idsegahuizum bezoeken. Gaarne zou ik u voordat ik sterf nog eenmaal als prediker of laat mij zeggen als verkondiger van de blijde boodschap des Evangeliums zien en horen optreden in het midden der gemeente. Al is het getal hoorders ten uwent dan ook klein, D.V. kan de Here u later ruimer werkkring toevoegen van de arbeid in Zijn wijngaard. Hoeveel toch ligt er achter ons dat ons deed vrezen, en toch, ziet, de Here heeft het alles wel gemaakt. Hem alleen zij daarvoor eer en lof gegeven. Lieve Oepke, zeg nu s.v.p. niet dat ik kom als kerkvisitator. Ach neen, ik kom als uw eigen vader om u het Evangelie te horen verkondigen, niets meer, niets minder. En dat de Here u daartoe heeft geordend en bekwaam gemaakt, immers ook u stemt het tot blijdschap. En is het u dan niet verblijdend dat uw vader en moeder daarvan nog eenmaal getuigen kunnen zijn, dat hun oudste zoon in de bediening van het leraarsambt is gewijd? Kom ons s.v.p. zaterdagavond van de wagen afhalen. Past het u niet, schrijf dan per ommegaande af. Van harte gegroet, uw u liefhebbende vader en moeder
D.P. Noordmans, G.O. de Roos.
P.S. Maak maar niet veel drukte van de ontvangst, dewijl het licht kan gebeuren dat ik om redenen van gezondheid verhinderd word.
(AN)