210. Oepke aan zijn moeder
Idsegahuizum, 24 maart 1908
Lieve Moeder,
ik was nog juist op ’t nippertje bij de trein. Te Sneek moest ik weer een kaartje nemen naar Workum. Te Workum aan ’t station nam ik de “bus”, nam mijn overjas over de arm, want ’t was warm en wandelde toen op mijn gemak naar Gaast en na de catechisatie1 om half drie begaf ik mij naar Ferwoude, waar ik een paar zieken opzocht en een poosje bij meester Van der Heide ging praten. Vandaar terug naar Gaast, waar ik een poosje bij meester Talsma zat. Toen mij laten halen met een bootje naar een boer bij Gaast, wiens vrouw sukkelend is. Weer in ’t bootje naar de weg en toen op Skuzum aan. Thuis gekomen vond ik het eten klaar. Na al deze tochten smaakte een bordje soep goed, en ik kon niet nalaten er een glas wijn bij te nemen. Anna2 vertelde dat de oude vrouw van 94 al overleden is. Ik zal er vrijdag te Cornwerd de begrafenis van hebben. Ik ben dus weer de gehele week bezet. Bijna alle mensen hebben hier vrij erg de influenza. Verwonderlijk lang blijf ik ervan verschoond. Betje heeft zeker al de belijdenis voor de kerkeraad afgelegd. ’t Begint hard te waaien. Laat Betsie eens schrijven hoe ’t met moeder gaat. Met hartelijke groeten ook aan Betsie, uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)