253. Oepke aan zijn moeder
Idsegahuizum, 31 december 1909
Lieve Moeder,
U zou misschien haast denken dat ik u nu ga vergeten. Dat is echter gelukkig het geval niet. Ik wens u van harte ’s Heren zegen bij de intrede van het nieuwe jaar 1910. Ik hoop dat de Here u nog menig jaar voor ons spare en u ook in ’t komende jaar een goede gezondheid moogt genieten. Wat is dat toch droevig gegaan met Gerarda Lambers1 nietwaar? Hoe haastig en onverwacht. Ik ben er op begrafenis geweest. Jacob en Pier waren er ook. Ze hadden zeer veel belangstelling ondervonden. Maar dit kan hun droefheid lenigen, maar niet wegnemen. Zo op die leeftijd van 23 jaar valt een verlies zo zwaar. Hendrik de Jong uit Amsterdam was ook overgekomen. Ook de meisjes Van Aller uit Hasselt.2 Eén van die meisjes was er toevallig, toen Gerarda stierf. Betsie heeft Grada niet meer bij haar bewustzijn gesproken. Voor Dirk is het ook erg daar geheel in Indië. Lambers heeft aan mijnheer Dinger3 in Batavia getelegrafeerd en die zal het hem verder doen weten. Ze waren zeer bedroefd bij Lambers. Maar ook weer gesterkt. Ds. van Mastrigt4 van Barneveld had de begrafenis. Ik was gelogeerd bij de oude mevrouw Wilbrink.5 Morgen hoop ik naar Ternaard te gaan, waar ik D.V. zondagmiddag denk te preken.6 Nu, lieve moeder, ik moet nog een paar brieven schrijven, dus ik breek nu maar af. Met hartelijke groeten, uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)