260. Oepke aan zijn moeder
Idsegahuizum, 22 april 1910
Lieve Moeder,
Even wil ik u mededelen dat ik het beroep naar Suameer1 heb aangenomen. D.V. zal dat dus een hele verandering in mijn werkkring geven. In Scharnegoutum kan ik echter van Suameer uit ongeveer even spoedig komen als van hier uit, misschien nog wel gemakkelijker. De volgende week maandag hoop ik op reis te gaan voor een paar dagen, naar Utrecht. Van maandag- tot woensdagmiddag. Mocht u dan mijn adres nodig hebben, dan is het O. Noordmans, Poste Restante, Utrecht. Donderdag ben ik misschien in Ternaard,2 maar dat is nog niet geheel zeker. Een broer3 van Jo heeft donderdag examen gedaan voor arts in Groningen. Hij is geslaagd. Wat beginnen de bomen al prachtig uit te lopen. ’t Wordt hier al groen rondom de pastorie. Mijn tuin wordt al heel aardig. Nu ik ’t beroep heb aangenomen zal ik natuurlijk D.V. niet de gehele zomer meer blijven. Met zekerheid kan ik nu nog niet zeggen wanneer ik vertrek. Spoedig zullen die plannen echter wel gemaakt worden. Zodra ik het weet, zal ik het u schrijven of vertellen. Nu lieve Moeder, heb ik u weer eens geschreven. Ik ben nu zeker niet achterlijk meer in ’t schrijven. Veel nieuws is er echter niet te vertellen. Skuzum is een klein dorp en bijzonderheden vallen er weinig voor. Met hartelijke groeten, uw u liefhebbende zoon
Oepke.
(AN)