364. P.C. IJsseling1 aan O. Noordmans
Loenen aan de Vecht, 31 januari 1928
Amice fraterque,
Laat ik beginnen ons aller gelukwens voor jou en je vrouw en de kinderen neer te schrijven met de dag van morgen.2 Ware het met een uurtje te doen, ik zou persoonlijk enige ogenblikken in de feestelijke kring komen vertoeven en nog eens met een paar woorden ‘ophalen’ die eerste dag, waarop we elkaar hebben ontmoet. Ja, dat was een aardige tijd, daar aan de klotsende zee. Wat een getheologiseer, een gemusiceer, een geschaak, een gestudeer en onder alles: wat een geïdealiseer! Ik rook al heel gauw, dat jij ‘ethisch’ georiënteerd waart en zoals het meer gaat als een eenvoudige intuïtief zijn oordeel vormt - mijn mening was niet onjuist. Ik herinner mij nog enkele gesprekken, waaraan ik met genoegen en dankbaarheid terug denk. Ja man, ik ben blij je in mijn leven te hebben ontmoet. En nu heeft het leven ons van elkaar verwijderd, - doch niet gescheiden. Wij verblijden ons in je jubileum; moge het morgen een heerlijke dag voor je zijn en moge de Heer je nog menig jaar geven van werklust en werkkracht, van heldere geest en voldoening in je arbeid. Hier is alles nog steeds wel [...]3 Nu vrienden, een hartelijke groet, als altijd tt.
P.C. IJsseling.
(AN)