Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

385. H. Visser1 aan O. Noordmans

Zwolle, 30 december 1930

Amice,

Vandaag kreeg ik je boek2 op zicht, waarin ik terstond mijn naam schreef als bewijs van eigendom. Veel zal wel boven mijn petje gaan, vooral nu waar ik door de ziekte van mijn vrouw3 en het waken, enz., moe in mijn hoofd ben. Het stuk over ‘Gunning en de Kerk,’4 en dat stukje is mij al een heel boek waard. Heerlijk dat gij zo beslist uitspreekt dat Gunning in zijn laatste geschriften in hoofdzaak dezelfde is als in zijn vroegere en dat van een seniele aftakeling geen woord waar is.5 Ik heb dat uit den treure gezegd, maar het vindt bij oppervlakkige lieden die in alles gretig zijn en alles toetsen aan eigen mening, geen geloof. Mijn zwager6 is ook niet vrij van die legende. Het verblijdt me zo dat Gunning meer gelezen wordt. Ik heb nu geen gelegenheid om verder hierop in te gaan, maar ik kon niet nalaten je dadelijk een woord van dank te betuigen. Mijn vrouw is reeds 1 3/4 jaar ziek. Sedert 14 dagen ga ik niet van honk en waak bij haar bed, met behulp van onze drie grote dochters. Elk ogenblik kan het einde komen dat het begin zal zijn van hogere heerlijkheid. Het is pijnlijk die strijd van dit sterke gestel tegen het slopingsproces aan te zien. De uitwendige mens wordt afgebroken maar de innerlijke groeit van dag tot dag. Met vriendelijke groeten, ook voor je vrouw de trouwe en dankbare lezeres van Voor Moeders,7 tt.

H. Visser.

(AN)

Noten

  1. 1

    H. Visser, zie brief nr. 189 (1905), n. 1.↩

  2. 2

    Geestelijke Perspectieven (Amsterdam 1930).↩

  3. 3

    Zie brief nr. 374 (17.2.1929).↩

  4. 4

    ‘Gunning en de Kerk’, VW 3, 353-367.↩

  5. 5

    VW 3, 353: ‘Ik geloof niet dat Gunning met vrijheid is begonnen om met dwang te eindigen ... En nog minder dat hij levenslang een wijze is geweest om tenslotte in dwaasheid te eindigen. Iets wat daarop lijkt is wel eens gezegd of liever gefluisterd door hyper-individualistische ethischen, die zich ergerden aan de finale van Gunnings leven. Daartegen moet ik zo sterk mogelijk opkomen. De hooggeestelijke brochure Verlagen wij onszelve niet! uitgegeven in 1902, midden in de toen aanhangige reorganisatiebeweging, is geen stuk van een lijder aan seniele aftakeling. Gunning heeft in de jaren van zijn emeritaat niet geleden aan aandachtsverenging. ... Zijn oog is niet verdonkerd. Genoemd vlugschrift ... is een rijpe vrucht en geen late, uit nabloei geboren minder edele conceptie.’ Vgl. W. Balke Gunning en Hoedemaker samen op weg (’s-Gravenhage 1985), 21.↩

  6. 6

    J.H. Gunning JHzn., zie brief nr. 67 (sept./okt. 1891), n. 1.↩

  7. 7

    Het tijdschrift dat mevr. A. Visser-Gunning uitgaf.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 384. A.M. Brouwer aan O. NoordmansLaren Gld. 1923-1934386. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →