Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

395. O. Noordmans aan K.H. Miskotte

Laren (G.), 6 maart 1931

Amice collega,

Dat is inderdaad een mooi boek, dat U over Gunning geschreven hebt. Ik dank u nog eens hartelijk, zoals ik het ook reeds mondeling deed, voor dit waardevolle geschenk. Ge hebt op fijnzinnige en diep-indringende wijze Gunning’s persoon en geest gepeild en wat ge gezien hebt op rustige en aan de stof verschuldigde wijze tot uitdrukking gebracht. In dat opzicht blijft er echter, begrijpelijk voor wie het ontstaan van het boek heeft meegemaakt, een dualisme in uw stijl. Het jongere, enthousiaste werk uit ‘Praeludium’1 is anders geïntoneerd dan het latere, meer over Gunning mediterende, van 1929. Dit valt echter minder op als men het boek in z’n geheel leest dan wanneer men, zoals ik deed, eerst ‘Praeludium’ las en dan de aanvullende gedeelten van later datum. Ik heb uw beschouwingen met grote instemming gelezen. Bovenal trof mij, wat u schrijft over ‘de heerlijkheid van het ordinaire.’2 Alleen die ‘spoorrails en telegraafpalen’ uit Vorm en Geest,3 die Gunning er bij haalt, hebben mij nooit recht willen bevallen. Maar de fijne wijze, waarop gij dit punt uitwerkt acht ik buitengewoon verdienstelijk.4 Het is geestelijk en litterair een ‘mooi’ staal van congeniaal verstaan ener persoonlijkheid en van diens innerlijk leven en denken. Dat gij uw boek in deze toon - grondtoon - laat uitklinken - het in deze finale laat eindigen, geeft aan het boek een hogere rust, die niet nalaat een aangrijpende indruk op de lezer te maken. Het is Spinoza een volle octaaf hoger gesteld. Uw beschouwingen over de donkerheid bij Gunning, z’n gereformeerdheid, z’n eenvoud en ernst, z’n doperse onderstroming las ik natuurlijk ook met veel instemming, maar ze waren me minder nieuw. Ik heb ze in m’n lezingen over ‘Gereformeerd-Ethisch’ te Groningen in 19285 en Utrecht in 19296 ook sterk onderstreept, zoals ge u misschien herinnert. Ik las met grote instemming wat ge daarover schrijft. De manier waarop gij het uitwerkt en het hele boek in die toon hebt gezet is zeer overtuigend. Uw boek zal onder de betrekkelijk schaarse Gunning-litteratuur voorlopig de leiding wel behouden. Ge zijt er in geslaagd om Gunning’s geest op te roepen in verband met z’n belijdenis van de Heilige Geest en we blijven daarbij niet hangen in Gunning’s vele beschouwingen. Ik dank u hartelijk voor het boek! Met vriendelijke groet, tt.,

O. Noordmans

(AKHM)

Noten

  1. 1

    Zie brief nr. 386 (8.1.1931), n. 3.↩

  2. 2

    K.H. Miskotte Johannes Hermanus Gunning (Rotterdam 1929), 165: Want de ware geestelijkheid is buiten ons! Ons gewone (of buitengewone) leven is niet het ware leven; het ware leven is, uit genade, òns leven. Daarom kon G. met zulk een verheven ernst spreken over ‘de heerlijkheid van het ordinaire.’↩

  3. 3

    J.H. Gunning Jr. Vorm en Geest. Brief aan een vriend over onze kerkelijke toestanden (’s-Gravenhage 1863), 29: ‘aan de rails der spoorwegen, daar zitten velen, ook weenen zij, als zij gedenken aan Sion. Zij hebben hunne harpen gehangen aan de telegraafpalen, die daar langs zijn.’↩

  4. 4

    Miskotte. a.w. 166: ‘Hier kan Gunning, zonder op een formeele wijze deze innerlijke wil tot stijging en intensiteit, deze ijver tot opvoering van de algemeene levensmogelijkheden af te snijden, ons een herinnering zijn aan onze eigenlijken levensgrond, aan de oorspronkelijke aristocratie van het gereformeerde geestesleven. Wanneer wij daartoe teruggeleid zijn, de heerlijkheid van het ordinaire weder ontdekt hebben, zijn we weer in de gebieden “van de woestijn, van de genialiteit”, dàn kunnen wij op een wettige wijze wijder uitzicht winnen, van daaruit ons oefenen in de ascese, ons te buiten gaan in de aanbidding van Christus, die Zèlf de grenzen overschrijdt, ons geven aan den arbeid der humaniteit, aan de praktijk der godzaligheid. Gunning zelf leefde temidden van de beginnende mechaniseering des levens nog als een enthousiast, met een hooge ingehouden, nuchtere geestdrift, als één die vol is van het mysterie der genade Gods. En dit, dit juist is de ware menschelijkheid, het wezenlijke leven van den mensch Gods; minder dan iets is dit “toegevoegd” of “bijkomend”.’↩

  5. 5

    VW 3, 390-408.↩

  6. 6

    VW 3, 409-418.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 394. D. Tromp aan O. NoordmansLaren Gld. 1923-1934396. W.Th. Boissevain aan O. Noordmans →