Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

453. O. Noordmans aan G. van der Leeuw

Laren (G.), 8 maart 1934

Amice,

Dank voor uw overdruk van het artikel over Stefan George.1 Ik heb het met buitengewoon veel interesse gelezen. Monumentaal dat: ‘Erzvater grub erzmutter molk.’2 Treffend vond ik uw opmerking over het heidendom van nu.3 Wat daar achter steekt is zo geweldig, dat men er nauwelijks aan durft denken. Hartelijk dank. Met vriendelijke groet, t.t.

O. Noordmans.

(ARUG)

Noten

  1. 1

    G. van der Leeuw, ‘Stefan George’ (1868-1933) in: Stemmen des Tijds 23 (1934), 302; ook in Levensvormen (Amsterdam 1948), 239-257. Stefan George (1868-1933), Duits schrijver.↩

  2. 2

    Stefan George, ‘Urlandschaft’ in: Der Teppich des Lebens (Gesamt-Ausgabe, dl. 5) (Berlijn 1927-1934), 41. Van der Leeuw citeert hieruit een aantal strofen, die hij inleidt met de woorden: ‘Of is er ooit zuiverder, soberder, krachtiger mythos van de intrede van den mensch in de wereld gedicht als in dit ‘Urlandschaft’.’ Noordmans verwijst in deze brief naar een regel uit een van de geciteerde strofen:

    ‘Und in der weissen sonnen scharfem glühn

    Des ackers froh des segens neuer mühn

    Erzvater grub erzmutter molk

    Das schicksal nährend für ein ganzes volk.’

    Van der Leeuw schrijft dan: ‘De visionaire kracht, waarmede dit beeld van den overgang van natuur in cultuur met zoovele andere wordt gesproken, beleeft de dichter als een geschenk, een mystische gave...’ Levensvormen, 245. De desbetreffende dichtregel wordt door ON aangehaald in: Dingen die verborgen waren (Zeist 1935), 22; VW 2, 64.↩

  3. 3

    Over christendom en heidendom bij George schrijft Van der Leeuw in Levensvormen: ‘Is het wonder der menschwording, dat de dichter verkondigt, hetzelfde wonder, dat den mensch vergoddelijkt?... Het is wel buiten kijf, dat de nieuwe religie, die hier wordt gepredikt, heidendom is’ (252). Enkele pagina’s verder schrijft hij in dit verband (256v.): ‘Maar het allerbelangrijkste voor mij als christen is, dat het hier voor het eerst sedert lang weer een religieus heidendom aan het woord is. In plaats van het godloze positivisme, in plaats van de godloze gemechaniseerde cultuur, treedt echte, niet-christelijke religiositeit op. Wij christenen zitten daar om zoo te zeggen op te wachten. Want echt christendom is slechts daar, waar de machten dezer wereld worden gekend en gediend. De negatie is geen tegenstander, met wie het christendom leven en strijden kan. De demonische affirmatie brengt de kerk nieuwe strijd en nieuwe hoop. Men mag misschien zeggen, dat de ziekte van het christendom de laatste paar eeuwen deze was, dat het geen tegenstanders had. Want de Aufklärung en het positivisme, het idealisme en het humanisme richtten zich niet tegen het christendom; zij vochten tegen heel andere tegenstanders en meenden elk op zijn manier het wezenlijke in het christendom te behouden. Zij dienden geen andere goden, maar zichzelf, of niemand. Welnu, als de tekenen niet bedriegen, kan de kerk nieuwe tegenstanders, dienaren van vreemde goden verwachten. We kunnen er slechts blijde om zijn. Van vermenging van christelijke met andere waarden hebben wij niets te wachten. Maar Jahve kan slechts dienen, wie weet wat Baäls zijn; en zich buigen voor de verschijning in het vlees van onze Heer Jezus Christus kan slechts hij, die de eigenmachtigheid van het vlees kent.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 452. W.J. Aalders aan O. NoordmansLaren Gld. 1923-1934454. D. Boer aan O. Noordmans →