363. H. Haselager1 aan O. Noordmans
Baambrugge, 31 januari 1928
Zeer geachte jubilaris,
toen ik in de courant las van uw feest, kwamen er allerlei herinneringen bij mij op: aan uw vader en broeders, aan uw optreden te Tzum en te Oosterend, aan Corn. Visser en Pieter Bijlsma te Tzum, aan onze gesprekken over allerlei bezwaren aan onze ambtsbediening verbonden. Het verheugt mij van harte, dat de Heer u al die jaren gespaard heeft en in staat gesteld uw arbeid te verrichten. Moge daar door Hem veel vrucht aan verbonden zijn of nog worden. En geve Hij u nog vele jaren met opgewektheid voort te gaan met de verkondiging van onze Heer Jezus Christus. De plaatsing van uw naam op de voordracht voor hoogleraar is zeker een glanspunt in uw leven geweest, dat echter in het nauwste verband staat met die andere glanspunten, waarop gij voordrachten hield of studiën in het licht gaaft. Met grote belangstelling heb ik bijv. gelezen uw opstel over de theologie van Barth.2 En nog herinner ik mij uw geleerde samenspreking met De Hartog bij onze predikantenvergadering te Beetsterzwaag.3 En zo is er meer te noemen. Ik hoop, dat gij een gelukkige feestdag moogt hebben. En dat ook uw echtgenote en kinderen in goede welstand u mogen omringen om met u de Heer te danken voor Zijn trouw, die ongetwijfeld ook voor de toekomst ons verzekerd is. Met hartelijke groeten van huis tot huis, uw vriend en broeder,
H. Haselager.
(AN)