Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Leiden 1890-1892

Weergave
Passages naar Readwise sturen

76. Oepke aan zijn ouders

Leiden, november 1891

Geliefde ouders!

Ik heb de beide brieven ontvangen. Wat de portretten aangaat, daar het toch niet zolang meer duurt of ik kom D.V. thuis, zal ik ze dan wel meenemen. Aangaande vaders schrijven zal ik voldoen met aanhaling van een citaat uit Groen van Prinsterers1 Grondwetsherziening en eensgezindheid,2 dat zeer goed mijn mening vertolkt. Groen zegt dan: ‘<<Bij de onbereikbaarheid van het meest begeerlijke doel (onmiddellijke vereeniging van allen op deugdelijken grondslag) moeten we ons aan de bevordering van hetgeen vergelijkerderwijs wenschelijk is, niet onttrekken; namelijk vereeniging der welgezinden uitgaande van vrije werking, een ieder op zijn standpunt, een ieder naar zijn geloof en inzigt, ten behoeve van Godsvrucht, zedelijkheid, verkregen regten, Nationale zelfstandigheid, in één woord, van al datgene waarvan de hooge waarde, tegenover de gedrochtelijke waanwijsheid van den huidigen dag, door zeer vele verstandigen en braven in Nederland nog erkend wordt. Om dergelijke vereeniging te bewerken, wordt, meer dan ooit in de gegeven omstandigheden, onderlinge verdraagzaamheid gevorderd, wederzijdsch ontzag voor elkanders overtuiging, geen gewelddadig doordrijven met betrekking tot allen, van inzigten die slechts, hetzij aan sommigen, hetzij aan velen, welbehagelijk zijn.>>.3 Hieruit blijkt reeds dat, wanneer ik naar welgezinden rondzie, ik mij geenszins binnen den kring van vrienden en geloofsgenooten beperk; dat ik niet voor welgezinden houd enkel die met mijn gezindheid eensgezind zijn. Meer dan ooit is dergelijke strengheid ongeraden en ook onbillijk in onzen tijd; nu er zoveel verwarring van denkbeelden is; nu men zoo dikwerf ijverige voorstanders van begrippen die ze zelf niet begrijpen ontmoet; nu menigeen weinig bekend is met den aard en de strekking der partij onder wier vaan hij zich met opgetogenheid rangschikt; nu zich niet zelden een treffende weêrspraak tusschen de redeneringen van het verstand en de gevoelens van het hart openbaart. Ik ben exclusief voorzeker; maar in geheel anderen zin dan mij doorgaans tenlaste gelegd wordt. Uit overtuiging een Christen, beweer ik dat verloochening van het Evangelie de oorzaak is en blijft der onheilen waardoor Europa wordt geteisterd; ik acht dat het Protestantisme, omdat het op den onwrikbaren grondslag van Gods Woord het protest gebouwd heeft, een onwaardeerbare zegen, inzonderheid voor ons Vaderland geweest is. Ik meen met eenvoudigheid in herinnering te mogen brengen dat de Hervormde leer in de Hervormde Kerk een verkregen regt heeft; ik tracht, ook daar, de ongerijmdheid te doen uitkomen eener voorstelling die de grondslagen in Kerk en Staat van het goedvinden der wisselende meerderheid afhankelijk maakt. Met deze, zoo men wil bekrompenheid van denkwijs of vastheid van overtuiging, kan, naar mij voorkomt, een ruim overzigt en eene liefdevolle verdraagzaamheid worden gepaard. Zonder het standpunt waarop ik gewetenshalve blijf te verlaten; zonder de waarheid, waarover ik geen beschikking heb, tot een onderwerp van transactie te willen maken; zonder het onderscheid voorbij te zien dat tusschen mij en anderen bestaat, kan ik evenwel op de overeenstemming evenzeer letten; kan ik waarderen al wat, in bedoeling en karakter, goed en edel mag worden genoemd; reik ik, in opregtheid, de hand aan den Roomschen en aan den Israëliet; aan dengene die conservatief, liberaal of zelfs radicaal is of meent te zijn; te weten wanneer ik reden heb om te vertrouwen, wanneer ik althans geen grond heb om in twijfel te trekken, dat zij aan hetgeen, naar het getuigenis der consciëntie, goed en waar is, zich wenschen dienstbaar te stellen; dat het hun om het welzijn van het Vaderland te doen is; dat zij, een iegelijk in zijn geloof en naar zijn inzigt, bereid zijn om deel te nemen aan een krijg waarin het heilig erfgoed der Menschheid, door de leugenprofeten van den huidigen dag met leerstellingen, voorzeker niet aan bovenaardsche wijsheid ontleend, in arren moede bedreigd wordt. Welgezind noem ik, als bondgenoot beschouw ik, zonder onderscheid van Godsdienstige of politieke geloofsbelijdenis, iedereen die (in een tijd waarop, naar de volledigheid der eischen eener valsche wijsbegeerte, algemeene verwoesting en omkeering begeerd wordt) ter bescherming van de grondslagen der zamenleving gezind is. Er zij wederzijdsche toenadering, kennismaking, vertrouwen, raadpleging; er zij, in opregtheid, wensch en poging naar gemeen overleg. Zal er eendragt der welgezinden ontstaan, dan is vóór alle dingen noodig dat zij elkander leeren kennen; leeren erkennen en waarderen als die welgezind zijn: dat men onderzoek doe naar den aard van ieders beschouwing en de redenen waarmeê zij gestaafd wordt; dat men niet in de gebrekkige en scheve voorsteling van misverstand, vooroordeel, hatelijkheid beruste; dat aan de zelfverdediging gehoor worde verleend. Toen de Romeinsche Overste, door eene zonderlinge en beleedigende vergissing, aan den Apostel gevraagd had: <<zijt gij niet de Egyptenaar die voor deze dagen oproer verwekte en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?>>4 liet hij hem toe tot het Volk te spreken en verantwoording te doen; en zoo ik uit de smaadredenen die aan schrijver dezes ten deel zijn gevallen, een voorbeeld mag ontleenen, ik durf onderstellen, dat sommigen althans bij wie hij voor een pleitbezorger van dweepzucht en absolutisme te boek staat, veeleer in hem een eenvoudig Evangeliebelijder en een vijand van willekeur zien zouden, indien zij, vóór het veroordelen zijner denkwijs en geschriften, zich de moeite der inzage hadden getroost. Niet als of ik mijnen landgenooten en ook mij zelven, door een onvoorzigtig verlangen, een ondragelijken last zou willen opleggen. Veeleer, wanneer ik let op de menigvuldigheid der voorregten die in de vrijheid van drukpers opgesloten zijn, ben ik in twijfel wat het meest moet worden gewaardeerd; de vrijheid om te lezen al wat gedrukt wordt, of de vrijheid om het ongelezen ter zijde te leggen. Alleen dit bedoel ik dat, eer we vonnis strijken, het billijk is te doen wat iederen regter betaamt; met een onbevangen oor te vernemen wat de aangeklaagde ter regtvaardiging in te brengen heeft. Bedrieg ik mij niet, dan zou deze pligtmatige welwillendheid misvattingen doen ophouden; dan zouden de gevoelens, de inzigten, de bedoelingen althans, beter worden gewaardeerd; dan zou er toenadering gezien worden; dan zou er een begin, ten minste eene voorbereiding zijn van onderlinge raadpleging en gemeen overleg. Maar hoedanig nu zal de aard en de strekking van dat gemeen overleg der welgezinden zijn? zal het bestaan in gemeenschappelijke naleving van alle beginselen tegelijk? Die naleving is, dunkt mij, in de praktijk, niet zonder bezwaar. Want, zal zij terzelfder tijd plaats hebben, dan is het, naar mij voorkomt, alsof, om slechts tweederlei inzigt te onderstellen, twee personen op één voertuig gezeten en met het bestuur, onder volkomen gelijkheid van regten belast, zich beijveren de een, om het pad ter regter-, de ander om het pad ter linkerzij te doen inslaan. Ik zie niet dat deze splitsing der magt en een regelmatige vooruitgang, of voor een gewoon voertuig, of voor den Constitutionelen Staatswagen, voorspelt. - Of zal misschien het gemeen overleg niet in gelijktijdig, maar in beurtelings opvolgen van elkanders meeningen bestaan? Dan zal de kranke, om te genezen, aan de strijdige behandeling van een veeltal geneesheren, afwisselend, overgeleverd zijn: men zal, ter regelmatige en spoedige voltooiing van het gebouw, architecten gebruiken, werkzaam elk naar een eigen plan; zoo dat de een afbreekt wat gisteren tot stand gebragt werd, en voorts een fundament legt dat een derde bouwmeester morgen, ten behoeve van een ander bestek, weder opruimen zal. Een gemeen overleg, een wederzijdsche eerbiediging van gevoelen die op zoodanige zamenwerking uitloopt, schijnt, ook waar men Staatsaangelegenheden behartigt, niet bij uitnemendheid aanbevelenswaard. Neen, het gemeen overleg, zal het wezenlijk nut hebben, moet tot eenheid van overleg brengen; moet niet enkel bestaan in goedhartige beleefdheid, waardoor de wagen verbrijzeld, de zieke vermoord, en het bouwen onmogelijk gemaakt wordt. De eensgezindheid die ik als redmiddel verlang, moet niet enkel in het tot stand komen der beraadslaging, maar in de uitkomsten openbaar worden. Hierin, dat het Staatsgebouw, met onderling goedvinden, kon het zijn, van allen, van zeer velen althans, op een grondslag worde gevestigd die tegen de stormen bestand zij.’5 Zo schreef Groen in 1849 omtrent de staatkundige toestand. Ten opzichte van de sociale kwestie, die toch tegenwoordig niet minder voorziening eist zoveel men kan, meen ik, dat men ten minste op evenveel zo niet of veel meer eenparig streven mag wijzen om iets te doen. Genoeg hierover. Ik ben goed gezond. Groet Jakob, Gep, Pier en Wietse van mij. Gegroet van uw u liefhebbende zoon Oepke

(AN)

Noten

  1. 1

    Zie brief 75 (26.11.1891), n. 1.↩

  2. 2

    G. Groen van Prinsterer Grondwetsherziening en eensgezindheid (Amsterdam 1849).↩

  3. 3

    Citaat van Groen zelf (61v.) overgenomen uit: Aan G. Graaf Schimmelpenninck over de vrijheid van onderwijs (’s-Gravenhage 1848), 93.↩

  4. 4

    Hand. 21:38.↩

  5. 5

    Grondwetsherziening en eensgezindheid, 61-66; citaat uit Hfd. 2: ‘De anti-revolutionaire partij, hier te lande, in haar beginsel en kracht.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 75. Ouders aan OepkeLeiden 1890-189277. Oepke aan zijn ouders →