292. H. Stoel1 aan O. Noordmans
Sellingen, 8 februari 1915
Amice fraterque,
Mag ik nog binnenkomen? Schuldgevoel doet mij aarzelen en drijft me ook weer machtig aan. Reeds van december dateert je brief, naar aanleiding van promotie en huwelijk,2 en van januari je kennisgeving van het arriveren van een zoontje,3 en maar al zweeg ik als mijn naburen op ⚑_ uur afstand, hoeveel die ook van zich doen spreken tegenwoordig, met nog geduchter dreigend rumoer voor na 18 februari.4 Allereerst hartelijk gelukgewenst met de geboorte van de zoon, welke gelukwens mede bestemd is voor je vrouw, met wie ik nog niet de eer had kennis te maken, en tevens voor de zoon. ’t Leven achten we immers een gave, te mogen leven een voorrecht, - de kleine, met kanongebulder begroet, worde weldra bestraald door de vredeszon. Tevens ook van mijn vrouw onze hartelijke dank voor de ons gezonden gelukwensen bij de geboorte van onze echt, welke dank reeds in P.S. van de huwelijksadvertentie was uitgesproken maar hier gaarne herhaald om de breder opgevatte wensen. Nu nog een woord naar aanleiding van je opmerkingen over mijn boek. Het deed me veel genoegen, dat het in verschillende opzichten je goedkeuring wegdragen kon. De methode noem je ‘more geometrico’,5 het is, hoewel zielsgeschiedenis, ‘sterk logisch gespannen’. Dit is wellicht mee gevolg hiervan, dat wij bij Newman staan tegenover een (uitgegroeid) leven en ik voor een deel zijn eigen verslag (in de Apologia) volgen kon, de methode was dus mee door de stof bepaald. In hoeverre het mee gevolg is van mijn eigen denk-manier valt mij moeilijk te bepalen. Hoofdstuk X ‘Terugblik’ hadt ge willen missen. Zelf had ik ook mijn werk besloten met hoofstuk IX, maar op raad van de promotor6 gaf ik nog dit slot, door zijn hooggeleerde meer gewenst als critiek, maar door mij in deze vorm aan de professor voorgelegd. Om toch enigszins aan de wens van de promotor te voldoen heb ik er enige critiek ingevoegd: ‘wat is Newman toch weinig critisch geweest’, welke uitlating volgens dr. Brom in De Tijd van 9 december7 als een deus ex machina8 uit de lucht valt, en waarmee volgens Het Centrum van 23 januari Newman door mij ‘feitelijk om hals wordt gebracht.’9 Toch kan ik de wens van de promotor begrijpen en was ik tevens in de gelegenheid in Hoofdstuk X nog enkele dingen kwijt te worden. - Amice, nogmaals hartelijk dank voor je belangstelling en voor de blijken daarvan. Ik ben nu bezig met abrupte pogingen voor deel II. Dit vraagt concentratie van aandacht en verhindert me gevolg te geven aan sluimerende wensen om weer eens naar hartelust in allerlei rond te plussen. Wat kan de geest toch een honger hebben. Onze studie-kring10 is op non-activiteit gesteld. Tot hoelang? De vorige herfst vroeg ik de professor, die het beter vond om de tijdsomstandigheden toen niet samen te komen. Vandaag is Brouwer11 in Groningen, om te spreken voor de kring van rechtzinnige predikanten te Groningen. Gaarne was ik gegaan, maar sedert ik in Sellingen ben, ben ik al talloze malen afgehouden van uitgaan door weer, wind enz. Vijf uren van de trein, zonder enig verkeersmiddel. Gelukkig rolt met juni of juli de stoomtram; tenzij - ja wie weet wat lotgevallen ons land nog wachten. Amice, ik eindig. Middageten - en dan de gemeente in. Een dag dat een beraamd uitgaan mislukt, gebruik ik gewoonlijk voor drukke concrete gemeentearbeid, om door een gevoel van satisfactie een gevoel van leegheid triumfantelijk te overwinnen. Mijn vrouw en ik maken ’t hier wel. Amice, kunt ge niet eens een artikel schrijven, b.v. in de Stemmen voor Waarheid en Vrede, die toch enigszins pastoraal is, waarin een soort handleiding, hoe een pastor tot een behoorlijke harmonie kan verenigen deze drie: studie, pastorale arbeid, huwelijk? hóóp, gelóófswerk, liéfde? Met heilbede, gaarne, tt.
H. Stoel.
(AN)