307. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1
Suameer, 8 juni 1918
Amice frater,
Het is hoog tijd dat ik uw schrijven van 28 mei2 beantwoord. Het uitstel had tweeërlei reden. 1e. Had ik drie patiënten in huis; dat was m’n gehele gezin, behalve ik. Een daarvan, een jongen van 3⚑_ jaar, heeft een week lang in ernstig levensgevaar gezweefd. Als door een wonder leeft hij nog en betert. 2e. Ik aarzelde. Zou ik wel in ’t Fries gaan spreken, waar ik buiten de beweging sta? Ik heb echter besloten aan te nemen, primo doe ik u gaarne een genoegen, secundo kan ik ’t niet hebben dat gij u zoudt inspannen voor een zo nobel doel als het behoud van een rijke en zeldzaam innige taal en daarbij geen hulp zoudt krijgen. Tertio: kon ik ’t niet van mij verkrijgen te weigeren een woord te spreken in de taal van m’n moeder. Nu kan het echter wel wezen dat gij van m’n woord op 31 juli zult moeten zeggen: hier is weer een Friese tolk nodig! Ik schrijf opzettelijk geen Fries, omdat ik niet graag foutieve spelling schrijf. Met vriendelijke groeten,
O. Noordmans.
(PAL)