Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer 1910-1923

Weergave
Passages naar Readwise sturen

316. O. Noordmans aan D. Boer

Suameer, 30 augustus 1920

Geachte collega,

Heb m’n hartelijke dank voor uw prompt en uitvoerig antwoord. Op dit blad wil ik u de gevraagde uiteenzetting geven van mijn strijd inzake het traktement. Op uw verder schrijven kom ik dan nog elders terug. Toen ik hier in 1910 kwam liet ik het beheer over de pastoralia aan kerkvoogden blijven. Bij de beroepsbrief was natuurlijk de ligger annex en daarop stonden enige bouwlanden, enige maden, enige grondpachten, rente van een sommetje geld en f 100,- rijkstraktement. Samen bracht dat toen ± f 800,- op. Bovendien bestond er een lijst, die kerkvoogden in bezit hadden, waarop bijdragen voor het predikantstraktement waren ingetekend, geheel ook met verplichting van erfgenamen en zolang de dominee op de standplaats zou blijven. Aan kerkvoogden te betalen. Verder hadden kerkvoogden mij bij de beroepsbrief een briefje gezonden, waarin zij mij f 1500,- waarborgden. Nu bedroeg de opbrengst van de pastoralia + bijdragen, die een kleine f 600, - bedroegen + rijkstraktement de eerste jaren om en bij f 1500,-. Er was toen geen reden iets te doen. Met de rijzing van de prijzen echter veranderde de zaak. Ik hield er een oog op en zodra ik merkte dat pastoralia + bijdragen + rijkstraktement meer dan f 1500,- bedroeg, vroeg ik kerkvoogden mij dat meerdere ook uit te keren. Ik begon met dat op zedelijke gronden te vragen. Daarvoor bleven ze doof. In 1915 bleef er f 60,- over. In 1916: f 230,-. In 1917: f 350,-. Kerkvoogden hielden dat in kas. Zij circuleerden echter (Classicaal Bestuur drong op een toeslag) een lijst voor duurtetoeslag. Voor ’t eerst in 1916. Deze bracht f 155,- op. Dat werd mij uitgekeerd. Maar f 230,- die er over waren en f 60,- die in 1915 al overschoten en die dezelfde contribuanten reeds voor ’t traktement in de gewone weg hadden afgedragen, hielden ze in. Men gaf dus f 155,- extra, maar hield van het gewone mij toekomende f 290,- in kas. In 1917 weer ’t zelfde spelletje. Toen vroegen ze nog leper op de lijst voor traktement èn kas. Was er toen wat veel geweest, dan had men dus van de extra bijdragen ook nog kunnen inhouden. Men gaf mij de verzamelde f 164,- en was van plan de overschietende f 350,- te behouden. Ik heb toen aanspraak gemaakt op de overschotten. Opbrengst pastoralia kwamen mij natuurlijk toe. Ik maakte ook aanspraak op de bijdragen, ook al rees het traktement daardoor boven f 1500,-. De aard der bijdragen maakte haar bestemming voor ’t predikantstraktement ontwijfelbaar. Ik raadpleegde mr. Stoop te Leeuwarden, die mijn opvatting sterk noemde. Ik schreef toen aan ’t Provinciaal Kerkbestuur in Friesland.1 Dit bestuur benoemde op mijn verzoek een commissie bestaande uit vice-voorzitter en secretaris, die op mijn kosten overkwamen. Er bleek dat kerkvoogden meenden, dat de beheerder ook ’t vruchtgebruik had zelfs van de pastoralia. Dat ze alleen door de garantie van f 1500,- gebonden waren; niet tot meer. Intussen had ik ook overdracht van beheer gevraagd aan mij. De commissie kreeg de toezegging van kerkvoogden, dat ze zich zouden gedragen naar uitspraak van ’t Provinciaal Kerkbestuur. Dit Bestuur stelde mij in ’t gelijk.2 Kerkvoogden betaalden mij toen de achterstallige gelden van 1915, 1916 en 1917 uit ad ± f 600,- en droegen per 1 juni 1918 ’t beheer over. Tegelijk echter zonden ze mij de lijst waarop voor de bijdragen getekend was. Ze schreven dat waar ’t Provinciaal Kerkbestuur en ik deze als één met pastoralia beschouwden, ze nu de hele zaak maar overdroegen. Dit laatste was een streek, wat ik terstond vermoedde. Ten eerste stond in de kop van de lijst, dat de bijdragen aan kerkvoogden afgedragen zouden worden en 2° was de naam van de predikant opengelaten. Ze dachten derhalve: met de lijst begint de dominee niets. Mijn juridische neus bleek iets scherper dan de hunne. Ik vermoedde terstond dat nu ze mij wettig de lijst overdroegen ik eo ipso3 gerechtigd was tot inning, vooral waar de bijdragen voor mijn traktement strekten en dat het ontbreken van de naam door toezending aan mij werd goedgemaakt of door getuigengehoor kon worden aangevuld. Ik verzocht in de herfst daarop de kerkeraad voortaan voor mij te willen innen. Deze nam dit aan. Maar de ouderling, die ’t zou doen, trok zich dezelfde week terug wegens ongenoegen van z’n schoonzoon, één der kerkvoogden. Ik moest toen zelf innen. +- f 450,- kwam binnen. +- f 150,- bleef achterwege. Juist de kerkvoogden en naaste familie weigerden. Dezelfden die mij de lijst overgedragen hadden. Twee hunner betaalden echter na een schrijven. De eigenlijke aanstichter weigerde met enkele anderen. Ik ben toen tot vervolging overgegaan van de kerkvoogd Hoekstra,4 die moest betalen wegens handtekening van z’n vader en enige andere erven van andere naam. De kantonrechter wees de vordering toe. Zij weigerden nog betaling. De gewezen kerkvoogd (hij had bedankt), een zeer rijke boer, werd met executie gedreigd en betaalde. De andere, een fietshandelaar,5 kon moeilijk geëxecuteerd wegens verhouding van bedrag en kosten. Hij werd tot kerkvoogd gekozen en zo heb ik nu een kerkvoogd, die met m’n geld in de zak loopt, dat kerkelijke en burgerlijke rechter mij toewezen. Daarna werden een paar familieleden van de eerste kerkvoogd aangesproken. Kantonrechter liet mij toen de suppletoire eed doen, die ik aflegde. Ook deze vordering werd dus toegewezen en werd betaald. Nog een derde maal moest ik vervolgen. Toen keerde de kantonrechter de zaak om en stelde de aangesprokene in de gelegenheid onder ede te ontkennen, dat hij voor mij getekend had. Hij weigerde de eed, zodat ik ook die vordering verkreeg. Thans is de vierde en laatste zaak in behandeling. Kantonrechter legde mij nu getuigenbewijs op. Deze zaak zal ook wel loslopen en daarmee zijn dan de bijdragen van 1918 gerechtelijk behandeld, voorzover geweigerd. Dan komt 1919 aan de beurt met ongeveer dezelfde wanbetalers. Ik denk dat kantonrechter dan de zaak wel als afgedaan zal beschouwen en de vorderingen gewoon toewijzen. Mr. Stoop6 van Leeuwarden behartigt deze zaken voor mij met buitengewone belangstelling en voorkomendheid. Hij is in kerkelijke zaken doorkneed. Deze zaak is overigens niet ingewikkeld. Het eigenaardige is de hardnekkigheid der wanbetalers. Dit muisje heeft echter allerlei staartjes gehad. Het eerste staartje was een conflict tussen mij en ’t Provinciaal Kerkbestuur. Dit Bestuur had de geestigheid om, toen ze hier op mijn verzoek en kosten als commissie ad hoc over waren, aan kerkvoogden te beloven, dat ze een vergadering zouden verordenen, die ik dan moest oproepen en waarin ik dan handjes zou geven met hen en andere onaangename apostelen. Ik verkoos dit niet en dat bezorgde mij toen een vermaning van dat Bestuur, terwijl aan kerkvoogden meegedeeld werd, dat de dominee een vermaning had gehad. Dit vergezelde de beslissing te mijner gunste. De boeren die met de hand in m’n zak zaten kregen dus, hoewel in ’t ongelijk gesteld, een morele goedkeuring en ik een reprimande, zodat gezegd werd wat ik misdreven had ... zeer in ’t algemeen de wijze van behandelen van de zaak, die, ik wist het, zeer correct is geweest. Ik heb daarop toen geriposteerd op een zeer felle manier, zoals gij kunt lezen in de Synodale Handeling van 1918. In september riep toen ’t Provinciaal Kerkbestuur mij telegrafisch op om te verschijnen. Men vroeg herroeping van mijn ter Synodetafel gebracht relaas. Ik vroeg als voorwaarde van pleisteren mijnerzijds een retractie door Provinciaal Kerkbestuur van ’t mij gedane onrecht; kennisgeving daarvan aan kerkvoogden en overlegging van dat schrijven vooraf aan mij.7 ’t Provinciaal Kerkbestuur berichtte mij later per brief dat men van mij eiste onvoorwaardelijke herroeping. Ik heb daarop niet geantwoord en er nooit meer van gehoord. Het tweede muisje was gemeentelijk. De ‘christelijke’ broeder, een ellendige kerel, werd in de kerkeraad gekozen. Hij stopte het Avondmaal, verstoorde met sissen en praten de kerkdienst en maakte allerlei stoornis op de vergaderingen enz. Ik heb toen een lastig jaar gehad. ’t Classicaal Bestuur droeg hem ter afzetting voor aan ’t Provinciaal Kerkbestuur. Dit Bestuur liet hem met een berisping gaan. Hij zit nog. Dit is het getrouw relaas van de toestand der kerke Christi anno domini 1921. Met collegiale groeten, tt.

O. Noordmans.

(ABNP)

Noten

  1. 1

    Brief aan PKB Friesland 1917/18, zie J.D. Th. Wassenaar, “Noordmans als predikant te Suameer” in Predikant en Samenleving 70 (1993) nr. 5 en 6.↩

  2. 2

    Uitspraak werd gedaan op 1.5.1918. ON kreeg wel een herderlijk schrijven over zijn ontaktische optreden.↩

  3. 3

    Lat.: juist daardoor.↩

  4. 4

    Kerkvoogd S.P. Hoekstra.↩

  5. 5

    Ouderling S. van der Vegt.↩

  6. 6

    Mr. A.E. Stoop te Leeuwarden.↩

  7. 7

    In de notulen van het Provinciaal Kerkbestuur dd. 3 en 4.1918 wordt deze brief vermeld met de datering 8.5.1918. In deze brief protesteerde hij tegen het herderlijk schrijven (n. 2). Als bijlage stuurde hij een afschrift mee van een brief aan de Classicale Vergadering ‘ter toelichting van door hem voorgestelde wijzigingen in het Reglement K.O. en T.’ Hierop werd hij telegrafisch ontboden.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 315. O. Noordmans aan D. BoerSuameer 1910-1923317. O. Noordmans aan D. Boer →