327. O. Noordmans aan M.J.A. de Vrijer1
Suameer, 19 mei 1921
Waarde voorzitter,
De crisis is er dus. Men rook op de bestuursvergadering in april reeds crisislucht. Ik hoop dat een oplossing mogelijk is met behoud van u beiden. Op de conferentie in Utrecht2 was ik niet. Ik kan dus de onmiddellijke aanleiding tot uw stap niet beoordelen. Uw stap is wel buitengewoon. Immers het besluit tot het referendum werd reeds genomen. Alleen het critieke van het moment verklaart en verschoont deze wijze van doen. Maar nu de zaak zelf. De polemiek van Boer3 ergerde mij niet. De toon was scherp, maar er moest een bres gelegd en dat gaat niet met een proppeschieter. Ik zou, na mijn artikel in ’t februari-nummer,4 ook niet ’t recht hebben aan Boer te grote scherpte te verwijten. Gij denkt, meen ik, over verschillende colleges als Boer. Is het mogelijk deze dingen zo te zeggen, dat de heren zelf ’t ook aangenaam vinden? Of zou men moeten zwijgen? Dat kan ook uw opinie niet zijn. De aanloop van de bond gaf een stoot aan de kerk. Daarna komt steeds een moment, waarop men evenwicht zoekt. Dat ogenblik is steeds het moeilijkste. Daarom drong ik op de bestuursvergadering op principiële oriëntering aan. Boer heeft geen schuld aan de moeilijke constellatie van ’t ogenblik. De haat, die werd opgewekt, wanneer men dat haat wil noemen, moest getrotseerd. Het forse van de stoot die de bond gaf is voor menig predikant een morele restauratie geweest. De kerk heeft zich een indigestie gegeten aan zoetekoek en het enige middel tot herstel is de ‘boerepil’. Zelf heb ik in dat opzicht eigenaardige ervaringen gemaakt. Ook ik zou mijn werk niet bedorven willen hebben ... ’t beste van dat werk is mij het zuiveren van de lucht. Zodat men weer kan ademhalen. Wanneer de bond Boere(n)bond heet, dan kunnen wij dat als een pluim op onze hoed zetten. Een opkomende beweging wordt altijd gedoopt. Ik meende verplicht te zijn op deze wijze uiting te geven aan m’n dankbaarheid voor de bondsactie, zoals die tot nog toe verliep. Overeenkomstig ’t karakter van deze correspondentie zend ik afschrift aan Boer. Zo even mogelijk, ben ik maandag in Amsterdam. Zeker is ’t niet. Ik ben nog niet geheel hersteld. Met collegiale groet, tt.
O. Noordmans.
(ABNP)