333. O. Noordmans aan D. Boer
Suameer, 10 october 1921
Amice,
Bij je afscheid1 kan ik tot m’n leedwezen niet tegenwoordig zijn. Ik preek ’s namiddags te Veenwouden voor Gust.2 Er is geen mogelijkheid, tenzij per vliegtuig, om tussen half vier en half zeven die afstand af te leggen. Ik mocht overigens je afscheid graag bijwonen. Geef je de preek ook uit? Er zullen bittere herinneringen opkomen. Het is misschien ’t beste ze terug te dringen en alleen het goede plaats te geven. Wanneer men ze in een afscheid aan ’t woord laat, is ’t teveel eer voor degenen die er schuld van zijn en het schrijnt het eigen gemoed meer dan goed is. Heb het oog op de toekomst en laat je Grootebroekers de herinnering aan een zo vriendelijk mogelijk afscheid met behoud van waardigheid, waarheidszin en mannelijke ernst. Zo wilde ik je graag afscheid horen preken. Ik verheug er mij in dat zondag 16 october, kort na mijn middagbeurt, een man zich los zal maken van een moeilijke post, waar hij geleerd heeft en gevormd is voor breder arbeidsveld. Daartoe was het zure toch niet te zuur. Saluut, tt.
O. Noordmans.
(ABNP)